4e zondag door het jaar B

B-cyclus · Tijd door het jaar · 4e zondag · groen

Viering van 27-28 januari 2018 4e zondag door het jaar B

PCB – gevangenis Brugge

Voorganger: Geert Dedecker

We lezen uit Marcus 1, 21-28 Jezus en zijn leerlingen gingen naar Kafarnaüm. Toen het sabbat was, gingen ze naar de synagoge. Daar gaf Jezus de mensen uitleg over God. De woorden van Jezus maakten diepe indruk. De mensen dachten: Hij spreekt als iemand met macht! Hij spreekt heel anders dan de wetsleraren. Opeens begon er in de synagoge iemand te schreeuwen. Het was een man die een kwade geest in zich had. Hij schreeuwde: ‘Jij daar, Jezus uit Nazaret! Laat me met rust! Je bent zeker gekomen om mij te vernietigen? Ik weet precies wie je bent. Jij bent gestuurd door God.’ Maar Jezus zei streng tegen de kwade geest: ‘Stil! Ga weg uit die man.’ De kwade geest schudde de man door elkaar, schreeuwde hard en verdween. Iedereen was stomverbaasd. De mensen zeiden tegen elkaar: ‘Wat is hier aan de hand? Jezus vertelt ons nieuwe dingen over God. Hij spreekt met macht. Zelfs de kwade geesten doen wat hij zegt.’ En het nieuws over Jezus werd al snel bekend in heel Galilea.  

TOESPRAAK

Wat is een boze geest?

Wat is bezet zijn, bezeten zijn?

Waar Jezus komt, zo wordt het verteld, komen mensenlevens aan het licht als bezet gebied. Maar waar Hij komt, wordt ook meteen het verlangen naar bevrijding gewekt. Het kan anders, het moèt anders, en ten diepste is het al anders, alleen al omdat Hij er is. Is God niet aanwezig in alles wat de mens bevrijdt om hem aan zichzelf terug te schenken? De eerste die Hij van verschoppeling tot mens maakt, is een man met een onreine geest. Daarmee begint alle bevrijding: de demonen aanpakken. De man wordt bewoond, bezet, beheerst door een macht van buiten, een vreemde macht. Het is niet de schuld van de man, hij is overvallen. Een ‘onreine geest’ is: de diabolos, de demon, de satan… Iemand/iets dat je ‘bezet’, waar je van ‘bezeten’ bent. Iets/iemand die je onvrij maakt én je onvrij houdt. (Bezet gebied is per definitie: onvrij gebied). Duivel-diabolos. Van ‘diaballoo’: door elkaar gooien. We herkennen meteen ‘le diable’ uit het Frans. De stukmaker, de tweedrachtzaaier, de grote kapotmaker van mensen en hun persoonlijkheid. Hij die alles in brokken en stukken trekt. De duivel ontwricht en ontaardt. Hij is de professionele ontregelaar, de uiteenwerper, de door-elkaar-gooier, de stichter van de chaos. Hij is ook de grote aanklager die geen genade kent. Die aanklager beschuldigt mensen zo meedogenloos, dat ze op de duur gaan wanhopen aan zichzelf en ieder zelfrespect verliezen. En zo worden zij wat ze al zo lang vrezen te zijn: niks, een grote, dikke nul. De duivel ziet steeds weer kans om mensen tegen elkaar op te zetten, en ook mensen tegen zichzelf. Mensen worden opgehitst tegen hun roeping, weggetrokken uit hun verantwoordelijkheid. ‘Ik heb er niets mee te maken’, ‘Wat kan ik er aan doen’, ‘Ik heb het niet geweten of gewild’, dat is een bloemlezing uit typisch duivelse ‘dood-doeners’. Dat zijn de ondermijnende kreten van waaruit al zo vaak oorlogen zijn ontstaan, mensen in de steek gelaten, ontelbare kansen tot menselijkheid en menswaardigheid zijn gemist. Demonen, boze geesten – die woorden beduiden in de taal en in de verbeelding van bijbelse vertellers de redeloze en ongrijpbare machten waaraan mensen soms onderworpen zijn. Wat spookt er al niet rond in de spelonken van de menselijke ziel? Wat kom je al niet tegen wanneer je afdaalt in de donkere schachten van jezelf? Veel oud zeer komt boven. Schuld, schaamte en angsten duizendvoud. Spoken en wilde dieren in allerlei gedaanten… Een bezetene is: iemand die het slachtoffer is van angst en vervreemding. Bezet en bezeten zijn door een demon, dat betekent dat je eenzaam bent, geïsoleerd, van mensen afgescheiden. Dat je loopt te schreeuwen van wanhoop omdat je jezelf niet beheerst, omdat de anderen altijd op een afstand zijn. Dat je niemand hebt en niemand bent. Dat je wanhoopt aan jezelf. Ik ben niet meer van mezelf, ik ben bezeten, bezet gebied. Een vreemde vijand heeft mijn binnenkant veroverd. Het is bestendig oorlog in mij. Alles doet pijn, alles zit verwrongen en verkrampt. Ik kan mezelf niet (meer) zijn. En het is niet mijn schuld: ze hebben een overval op mij gepleegd…

Door welke machten en krachten worden wij hier in de gevangenis bezet en bezeten?

De kernvraag van het evangelie is: hoe kan ik meer vrij worden (dat is ook de diepste vraag van de bezeten man). Wat in godsnaam aan te vangen met mensen die zo bezet zijn door een boze geest? Spreek ze aan bij hun ‘diepste naam’! (Er zitten namelijk ‘mensen’ onder verscholen.) De demonen, de boze geesten aanpakken en uitdrijven: daarmee begint alle verlossing en bevrijding. Krachten die mensen samenhouden en bijeenbrengen zijn genezende, helende krachten…

Wat is écht gezag?

Jezus is iemand met gezag. Spreken met gezag betekent: dat je iets te zeggen hebt aan mensen. Dat je woorden spreekt van bevrijding, genezing, heelmaking. Dat allemaal in tegenstelling met de Schriftgeleerden en Farizeeën. Gezag heeft iets te maken met consequent zijn. Dat je lèèft volgens je woorden en naar de geest ervan. Mensen met gezag zijn betrouwbaar, je kunt er naar opkijken.

Jezus leert niet volgens de bekende weg, niet zoals zijn collega-wetgeleerden, maar op eigen gezag en kunde. Alsof hij van binnenuit de schriften leerde, niet beschouwend of belerend, maar origineel en bevrijdend. De man van Nazareth doet aan ‘bevrijdend schriftlezen’. En de mensen om hem heen staan versteld. Ze vragen zich af: wie is nu écht thuis in de schrift? De schriftgeleerden niet – zoveel is duidelijk. Zij zeggen na wat hun op school is voorgezegd. Dat proclameren ze, dat leren ze. Om gezag te hebben, citeren ze hun voorgangers of hun partijgenoten. Later zal Johannes zeggen: wat ze leren is mensenwerk. Maar Jezus is door God Zelf onderricht. Hij is een autodidact die naast de boeken ook de Auteur van de boeken zelf heeft geconsulteerd. Hij is van Gods privé-school. Hij heeft persoonlijk weet van God. Daarmee heeft Marcus meteen de toon gezet: hier is de Christus.

Er bestaat een wezenlijk verschil tussen macht en gezag. Gezag hèb je – macht moet je (ver)krijgen. Macht kun je desnoods afdwingen, bijvoorbeeld met harde hand. Gezag moet je gaan-de-weg verwerven. Gezag wordt je door anderen verleend op grond van overtuigend handelen gedurende een langere tijd.
Gezag gaat bijna altijd samen met vertrouwen. Over dat laatste wordt wel gezegd: ‘Vertrouwen komt te voet en gaat te paard.’ Het verwerven van gezag en vertrouwen is een moeizaam proces, het verspelen ervan is zo gebeurd.


Veel macht wordt nogal snel gezag genoemd. Maar dat is geen écht gezag.

ECHT GEZAG Maakt vrij in plaats van afhankelijk Schept ruimte in plaats van in te perken Maakt verantwoordelijk in plaats van slaafs Maakt groter in plaats van te kleineren

ECHT GEZAG is niet dat je het voor het zeggen hebt, maar dat je iets te zeggen hebt. ECHT GEZAG is niet enkel uit op veiligheid, maar op gedeelde verantwoordelijkheid. ECHT GEZAG spreekt leven gevende woorden in plaats van te werken met voor-oordelen en dooddoeners. ECHT GEZAG wil liever dingen samen aanpakken dan helemaal alleen ECHT GEZAG denkt vanuit een ‘wij’ in plaats van een ‘ik’

Er zijn mensen die gezag hebben, omdat ze écht zijn.

**Heb ik zulke referentiefiguren? **

Even nadenken ieder persoonlijk: als ik vrijkom ga ik dààr naar toe. Voor mij is dat iemand met ‘gezag’, die voor mij ooit woorden gesproken heeft van bevrijding, van genezing, van geloof en hoop en toekomst. Ik wil dat con-tact allereerst weer opnemen. Omdat ik weet: dit zal mij genezen. Of schrijf nu al een brief naar die mens (van vroeger of van vandaag) met gezag… Jouw vroegere onderwijzer, jouw vader of moeder die gestorven is, jouw grootmoeder (Kevin), de secretaris van mijn voetbalclub (Geert) Vertel hen wie je écht bent, wie je (weer) zou willen zijn, hoe zij dit beeld ooit in jou hebben ‘opgedolven’ en tot leven hebben gewekt… vertel hen ook hoeveel lagen aanslibsel, hoeveel brokstukken en scherven dat beeld ondertussen hebben bedolven en verborgen…

Hoe kan ik zelf wat meer op die Jezus gelijken, die man met gezag, betrouwbaar, naar wie je opkijkt ?

James Ensor – Zelfportret met maskers

Het verhaal van de man met de zeven maskers

Er was eens een man die zeven verschillende maskers had, één voor elke dag van de week. Elke ochtend was het eerste wat hij deed: het masker van die dag opzetten. Daarna kleedde hij zich en ging naar zijn werk. Zijn hele leven had hij dat zo gedaan. Nooit had hij zijn ware gelaat aan iemand getoond.

Nu gebeurde het dat een dief ’s nachts, terwijl hij sliep, zijn zeven maskers kwam stelen. Toen hij bij het ontwaken de diefstal vaststelde, was hij wanhopig. Hij schreeuwde het uit, zakte in elkaar, was ontroostbaar en huilde als een kind. De mensen om hem heen trachtten hem op te beuren, maar niets of niemand kon hem tot rust brengen.

Een vrouw die daar toevallig voorbijkwam, hield halt en vroeg hem: ‘Wat is er met jou? Waarom huil en schreeuw jij zo?’ De man richtte het hoofd op en zei met tranen in de ogen: ‘Ze hebben mijn maskers gestolen, en nu mijn gelaat naakt is, voel ik mij oneindig kwetsbaar…’ ‘Troost je,’ zei de vrouw. ‘Kijk naar mij. Reeds van bij mijn geboorte heb ik altijd mijn ware gelaat aan de mensen getoond.’

De man keek haar lang aan, en zag dat zij bijzonder mooi was. De vrouw boog zich voorover, glimlachte naar hem en droogde zijn tranen. Voor het eerst in zijn leven voelde hij zich écht een mens. En hij was voorgoed van zijn behoefte aan maskers genezen…

James Ensor – Maskers oog in oog met de dood

MASKERS AF?

Karnaval nadert nu zienderogen (11 – 13 februari) – en iedereen wordt aangespoord om zich inderhaast nog een extra masker aan te schaffen… Iedereen draagt maskers. Niet alleen om iets te verbergen, maar ook om iets te laten zien aan de anderen: dit ben ik, zo wil ik me laten kennen.

‘Voor jou zet ik mijn masker af’ is de eerste zin van een liedje van Marco Borsato. Ik gebruik het af en toe in mijn kerkdiensten in de bajes, want als er één plaats is waar de mensen maskers dragen, is het wel daar. Dat is geen geheim, iedereen weet dat. Janken doe je op je cel, niet buiten. Als ik een gedetineerde op de trap begroet en hem vriendelijk vraag hoe het gaat, lacht hij breed en zegt: ‘Je weet toch, altijd goed.’ Ook als zijn gezicht lacht, maar ik heus wel kan zien dat het niet lekker gaat. Praten doen we als we niet gestoord worden door kijkers, ‘Und wenn uns Chinesen das Herz auch zerbricht, wir zeigen es nicht’ luidt een tekst uit een operette van Frans Lehar. En zo is het maar net. Je masker is je bescherming. En dat geldt natuurlijk niet alleen in de gevangenis. Maar daar is het zo goed voelbaar en zichtbaar. Eigenlijk veel eerlijker dan buiten. Daar doen mensen alsof ze geen maskers op hebben, binnen in de bajes weet iedereen het van iedereen.

‘Voor jou zet ik mijn masker af’. Het aandurven om kwetsbaar te zijn, dat kun je pas, als je het aandurft te zijn wie je bent, ook als je zelf nog niet weet wie je bent, maar je het innerlijke vertrouwen hebt dat het goed is zoals het is met jou…

ZO LAAT IK ME KENNEN

Veel mannen in de gevangenis hebben tattoos, overal op het lijf, tot de billen aan toe. Een teken, een traan onder hetn oog, allemaal symbolen om iets te tonen: ik heb iemand omgelegd, of: een vriend is dood; de naam van zijn dochter; een spreuk over het leven, als een wapenspreuk; of ‘Only God can judge me’ als een schild tegen het oordeel van de mensen. Allemaal maskers, die tegelijk een gezicht tonen, een werkelijkheid: Dit ben ik, zo laat ik me kennen.

Ik denk wel eens dat we heel ons leven in alle situaties nieuwe maskers dragen. Niet altijd om iets echts te verbergen zoals onze kwetsbaarheid, maar ook omdat we zijn die we zijnet een gezicht, een masker dat ons past als teken van onze eigenheid. Niemand kan ons ontmaskeren ten diepste, want wie we werkelijk zijn, zonder enig masker – we weten het zelf niet. God zal het weten. Die kent ons dieper dan wij onszelf ooit zullen kennen. Pas voor zijn aangezicht zijn er geen maskers meer, dan kennen wij zoals we gekend zijn. Maar nu mogen we elkaar kennen zonder ontmaskering, als de ander die in een ontmoeting gekend wordt en herkend, maar toch een geheim blijft, beeld en gelijkenis van God zelf. Niet te doorgronden. Prachtig;

Sietse Visser, justitiepredikant – in ‘Open Deur’, 83° jaargang nr. 10 – oktober 2017.

Wat is er nu eigenlijk met die man in de synagoge van Kafarnaüm gebeurd?

Luister daarvoor naar dit verhaal:

Een klein meisje uit de buurt bezocht regelmatig de grote kunstenaar Michel Angelo in zijn atelier. Op een dag bracht een grote wagen, bespannen met zes paarden, een ruw vierkanten blok marmer aan. Michel Angelo begon erin te kappen, uren en dagen aan een stuk. En elke dag kwam het kind geduldig kijken, gefascineerd door de kracht en de vaardigheid van de beeldhouwer. Nadat hij wekenlang intensief had gewerkt, werd stilaan de gave vorm van een vrouwenlichaam zichtbaar. Het werd een prachtig beeld, waar iedereen met bewondering stond naar te kijken. Toen vroeg het kleine meisje aan de kunstenaar: `Maar meneer Michel Angelo, hoe wist jij toen ze die zware steen hier brachten, dat daar zo’n mooie mevrouw in verborgen zat?'

Wat was de ‘kracht’ van Jezus als ‘wonderdoener’? Dat Hij altijd de méns bleef zien achter het uiterlijk, achter de feiten, achter het masker…Dat Hij zoals een kunstenraar in een ruw blok marmer vooraf al het beeld zag dat er in zat van een echte, unieke ‘schone’ mens. En dat Hij de kunst beheerste om alle overtollige buitenkant er van af te halen, totdat dit beeld uiteindelijk tevoorschijn kwam… Kunstenaars zien altijd méér, zien de ziel, de kern, het beeld dat in het omhulsel van de buitenkant verborgen zit… ‘Een stapel stenen houdt op een stapel stenen te zijn op het moment dat één enkele mens ernaar kijkt met in zijn hoofd het beeld van een kathedraal’

(Antoine de Saint Exupéry)

Michel Angelo – Madonna met kind Onze-Lieve-Vrouwekerk Brugge

Er *is **dus *een antwoord op de vraag van dat kind uit de buurt van Michel Angelo. Dat antwoord luidt: ‘Ik weet dat er een mevrouw in het marmer is, want voordat ik die mevrouw in het marmer zag, zag ik haar in mijn hart. Het geheim is dat het de mevrouw in mijn hart was die de mevrouw in het marmer herkende.’

Beeldhouwkunst is allereerst de kunst van het zien. In het ene blok marmer zag Michel Angelo een liefdevolle moeder met haar dode zoon op schoot; in een ander zag hij een zelfverzekerde David zijn steen naar de naderende Goliath slingeren; en in een derde zag hij een toornende Mozes op het punt in woede overeind te komen om de stenen tafelen kapot te slaan bij het zien van het gouden kalf. Beeldende kunst is inderdaad de kunst van het zien en artistieke vaardigheid is de weg waarlangs dat wat gezien is zichtbaar wordt gemaakt. Als we het zo bekijken, is de bekwame kunstenaar een bevrijder die beelden die miljarden jaren in het marmer verborgen hebben gezeten zonder hun ware identiteit te kunnen onthullen, uit hun gevangenschap bevrijdt.

Jezus van Nazareth was zo’n kunstenaar. Hij was geschoold in het *zien *en in het zichtbaar maken van het beeld van God dat in elke mens diep verborgen zit. Hij had visie – en juist dààrom had Hij ook gezag. Hij verstond de kunst om Gods presentie in mensen en gebeurtenissen aan de dag te brengen.

Het is een moment van heilig-makende genade, iedere keer wanneer iemand ons vraagt: ‘Meneer, hoe wist u dat er een leeuw in het marmer verborgen zat?’ telkens wanneer die vraag wordt gesteld, weten we eens te meer waar ons mens-zijn en mede-mens zijn begint.

De boze geest uit mij laten uitdrijven is: met mij door de Grote Beeldhouwer laten doen wat Michel Angelo met dat blok marmer deed: mij laten be-werken; mij laten ont-dekken; mij op-nieuw laten geboren worden…

Michel Angelo, hoe wist jij dat dit beeld daar in zat? Jezus van Nazareth was een Man ‘die wist wat er in de mensen was…’ Hij zag dat en wist dat – omdat hij met de ogen van zijn ziel én met de ogen van God naar elke mens zonder onderscheid keek. En Hij verstond de kunst om dat échte beeld er uit te halen. ‘Kom er uit…’ zegt Hij (op heel strenge toon!) tegen de boze geest. Maar tegelijk zegt Hij ook tegen de échte mens die door die boze geest was bezet en bezeten: ‘Kom er uit…’ Dat laatste zegt Hij rustig en teder, omdat Hij weet: die échte mens is in al zijn naaktheid en pas-geboren zijn heel kwetsbaar…

De Schreeuw – Edvard Munch De schreeuw is het bekendste werk van de Noorse schilder Edvard Munch, die nauwelijks dertig was toen hij dit doek schilderde. ‘Ik voel de grote schreeuw van de mens doorheen de natuur gaan’, zei hij er zelf over. Dit schilderij maakt de oerkreet van de mens zichtbaar: je hoort die schreeuw als het ware wanneer je het schilderij voor je ziet.

Ieder mens schreeuwt op zijn of haar manier om erkenning en aanvaarding. Soms zijn mensen heel diep gekwetst door het leven – soms hebben ze anderen zo erg gekwetst, dat het henzelf ook kapot heeft gemaakt…

De Schreeuw vertolkt een andere werkelijkheid dan de geforceerde smile van de personages in media en reclame. De Schreeuw komt vanuit de schaduwkant, vanuit de donkere kelders waar alle miserie en onkansen van soms generaties ver liggen opgestapeld. Of vanuit de borgen spelonken onze binnenkant, waar spoken van schuld en boete altijd maar weer blijven opdoemen, wanneer wij rusteloos de vergetelheid van de slaap zoeken;

Stukje van die Schreeuw worden hoorbaar als wij op een bepaald moment – soms bruusk en onverwacht – betrokken worden bij de geschiedenis van mensen. Vroeg of laat manifesteert zich bij zo’n mens de behoefte aan een uitweg voor wat zich alsmaar meer opstapelt in hun lijf, in hun herinnering en in hun ziel en dan komt het er uit, ineens of met veel horten en stoten. De vraag die telkens weer klinkt achter elk bang stilzwijgen, of achter elk stoer doen is: LAAT ME ASJEBLIEF LEVEN NEEM ME EN AANVAARD ME ZOALS IK BEN MET ALLES WAT JE WEET VAN MIJ EN LAAT ME NIET VALLEN ALS IK HET ZELF SOMS NIET MEER WEET GOOI ME NIET VAN JE AF ALS IK ME VERSCHUIL ACHTER ZEVEN MASKERS TEGELIJK RESPECTEER ME OOK ALS IK MOEILIJK DOE

De vraag ‘Laat me asjeblief leven en geef mij een nieuwe kans’ is de vraag van zoveel ‘bezette’ mensen gericht aan hun naasten en aan de samenleving.

De onreine geest schreeuwt. Inzicht krijgen in wat er gebeurd is in ons leven, wat en waar iets fout gelopen is … een langdurend proces, dat meestal uitmondt in een lange schreeuw van ontzetting: ‘dat ik dit ben – dat ik zo ben… Een verschrikkelijke worsteling, een stuiptrekking, zeven weeën van zware ‘arbeid’, als inleiding op de verloskamer en de geboorte…

Schreeuw

Op de wanden van mijn hart pleeg ik elke dag graffiti

Hoor mij roepen hoor mij tieren hoor mij brullen hoor mij gieren hoor mij tilt slaan hoor mij stilletjes luidkeels doodgaan.

Sabien Jagers – 16 jaar Brasschaat,1991

De schreeuw van die man met de boze geest is een schreeuw om op-nieuw te mogen leven. Het is een hartenkreet om toekomst en hoop. En wij weten maar al te goed: als wij de Schreeuw, de oerschreeuw om te leven in al zijn scherpte willen horen, moeten wij attent zijn. We moeten de doofpotten wegdoen, de maskers opbergen, bij onszelf en in de grote maatschappij. We zullen klaarder moeten leren zien, bewuster moeten oordelen en adequater moeten leren handelen. Want pijn en onrecht die niet gehoord worden gaan steeds verder woekeren, herhalen zich, wreken zich vroeg of laat. Wat wij geen duidelijke plaats geven in ons geheugen en geweten, wat wij het daglicht niet laten zien, gaat ons op de duur in een wurggreep houden, gaat ons beheksen en beheersen (‘bezetten’ noemt Marcus dit), en sluit meteen alle toekomst af. En dat is het ergste wat een mens, een samenleving kan overkomen: dat er geen toekomst meer is, omdat we teveel met het verleden zitten opgescheept; dat er geen leven meer mogelijk is, omdat de dood ons van alle kanten bespringt…

Sinds het horen van die schreeuw uit het Marcusevangelie van vandaag, weet ik het heel zeker: wij hebben als christenen een onvervangbare taak. Wij moeten die Schreeuw van zoveel mensen in alle soorten ‘gevangenissen’ van deze wereld r registreren en versterken. Wij moeten de signalen helpen decoderen, begrijpen en vertalen. Wij moeten bij momenten zelf luider schreeuwen in naam van en in plaats van alle mensen die geen stem (meer) hebben, die monddood gemaakt zijn, niets en niemand zijn.

Wij moeten durven midden in de synagoge van Kafarnaüm durven te gaan staan, de agressie en de woedeuitbarstingen van de man met de boze geest durven trotseren. Wij moeten in Naam van ‘de Heilige Gods’ protesteren omdat nog altijd zoveel kostbaar leven verloren gaat. Behoedzaam aanwezig zijn bij het geknakte riet, de kwijnende vlaspit. Proberen te redden wat er te redden valt. Troosten in het ‘Dorp van troost’; oude wonden verzorgen, breuken spalken en verbinden, kwetsuren genezen. Met man en macht werken aan een samenleving die niet doodt maar leven geeft. Die niet spreekt vanuit macht, maar vanuit écht gezag. Zelf roepen en schreeuwen om toekomstkansen hoe dan ook voor elk mens. Megafoon zijn dus, geluidsversterker van de Schreeuw in al zijn vormen.

Christenen moeten de toekomst helpen openhouden. De wacht houden bij de menswording van elke mens. ‘Altijddurende Bijstand’ bieden bij elk nieuw begin – ook bij het minste beetje goede wil dat wij ontwaren. Er zijn.in de bres springen als het moet. Vriendelijk toespreken. Bij de hand nemen. Hem of haar noemen bij de diepste naam. Een stoet van leven vormen. De wacht optrekken in de donkere nacht, want je kunt niets forceren in dat groeiproces. Geloven dat nieuw leven geborgen is onder harde korsten aarde. Ruimte maken. Kansen scheppen op geboorte. Blijven hopen. Tot zeventig keer zeven keer op-nieuw willen beginnen. En telkens weer bang uitkijken of het nieuwe leven wel ooit naar boven komt – of ergens in Kafarnaüm al iets begint te dagen van het gedroomde ‘Dorp van troost’…

Dat weet ik zeker sinds het horen van dit genezingsverhaal uit het begin van het Marcusevangelie: christenen moeten tegen alle vorm van dood in, telkens weer kiezen voor leven!

Zo moge het zijn. Amen.

geert dedecker

Michel Angelo – De schepping van Adam

Als ik vrijkom

Als ik vrijkom ga ik iemand vragen mij aan te raken heel voorzichtig graag en langzaam raak me aan ik wil weer leren hoe het leven voelt

Ik ben zeven jaar door niemand aangeraakt zeven jaar lang zonder aanraking en ik weet nu wat ‘onaanraakbare’ betekent.

Niet totaal zonder aanraking. Ik kan de dingen tellen die ik voelde.

Een: vuisten in het begin felle woeste vuisten beukend en beukend tot ik me gillend herinner laat me gaan laat me asjeblieft gaan.

Twee handen de eerste vier jaar handen iedere dag.

Zoekende klophanden

  • armen hoog, schoenen uit benen uit elkaar - pookhanden, methodisch zwaar, onverschillig alle eigenheid wegtastend.

Ik wil geen vuisten en handen ik wil weer aangeraakt worden en aanraken ik wil mij weer levend voelen.

Wanneer ik vrijkom wil ik zeggen: Hier ben ik raak me asjeblieft aan.

Hugh Lewin, Zuid-Afrika – gedicht van een gevangene die zeven jaar in de cel heeft gezeten

uit: ‘De dag dat je brief kwam’ (1988)

                                   Delf mijn gezicht op, maak mij mooi.
                                   Wie mij ontmaskert zal mij vinden.
                                   Ik heb gezichten, meer dan twee,
                                   Ogen die tasten in den blinde
                                   Harten aan angst voor angst ten prooi.
                                   Delf mijn gezicht op, maak mij mooi.
                                   Delf mijn gezicht op, maak mij mooi.
                                   Wie wordt ontmaskerd wordt gevonden
                                   En zal zichzelf opnieuw verstaan
                                   En leven bloot en onomwonden,
                                   Aan niets en niemand meer ten prooi.
                                   Delf mijn gezicht op, maak mij mooi.
                                   (t: H. Oosterhuis – m: B. Huijbers)

Viering van 27-28 januari 2018 4e zondag door het jaar B

PCB – gevangenis Brugge

Voorganger: Geert Dedecker

We lezen uit Marcus 1, 21-28

Jezus en zijn leerlingen gingen naar Kafarnaüm. Toen het sabbat was, gingen ze naar de synagoge. Daar gaf Jezus de mensen uitleg over God. De woorden van Jezus maakten diepe indruk. De mensen dachten: Hij spreekt als iemand met macht! Hij spreekt heel anders dan de wetsleraren. Opeens begon er in de synagoge iemand te schreeuwen. Het was een man die een kwade geest in zich had. Hij schreeuwde: ‘Jij daar, Jezus uit Nazaret! Laat me met rust! Je bent zeker gekomen om mij te vernietigen? Ik weet precies wie je bent. Jij bent gestuurd door God.’ Maar Jezus zei streng tegen de kwade geest: ‘Stil! Ga weg uit die man.’ De kwade geest schudde de man door elkaar, schreeuwde hard en verdween. Iedereen was stomverbaasd. De mensen zeiden tegen elkaar: ‘Wat is hier aan de hand? Jezus vertelt ons nieuwe dingen over God. Hij spreekt met macht. Zelfs de kwade geesten doen wat hij zegt.’ En het nieuws over Jezus werd al snel bekend in heel Galilea.

Verkenning van de tekst en de context van dit evangeliefragment

We weten ondertussen dat we de evangelieverhalen onmogelijk kunnen lezen zonder daarbij de dramatische omstandigheden te verrekenen waarin deze teksten tot stand kwamen, met name de verwoesting van Jeruzalem en de tempel in het jaar 70. Heel kort na deze ramp werd Marcus de ‘uitvinder’ van een nieuw literair genre, dat wij vandaag kennen als ‘evangelie’, een term met een scherp polemisch karakter.

We kunnen ons vandaag nauwelijks de crisis voorstellen, waarin het Joodse volk zich bevond op het moment dat de Romeinse troepen de stad platgebrand, uitgemoord, volledig in puin achterlieten en zij opgesierd met schatten uit de tempel en gevangengenomen verzetslui Rome binnen trokken om hun triomf te laten bejubelen. Ik probeer het me voor te stellen. Hoe die triomftocht hysterisch voortgestuwd werd door de imperialistische kreet ‘evangelie’: ‘Evangelie van keizer Vespasianus: Het verzet is neergeslagen! Judea is ingenomen!’ Dat heette toentertijd ‘goed nieuws’. Succes. Vooruitgang.

Op dit schrijnende dieptepunt in de geschiedenis van het Jodendom kruipt Marcus dus achter de schrijftafel en laat hij die hallucinante woorden uit zijn pen vloeien: ‘Begin van het evangelie van Jezus Messias’. Tijd voor een scheppingsverhaal, moet hij gedacht hebben te midden van de chaos. Tijd voor goed nieuws van het bevrijdingsfront.

Marcus rekende zichzelf tot een clubje dat zo’n veertig jaar voordien de kruisdood van haar leider had proberen te overleven. Hoe lang hadden zijn voorgangers in de beweging er niet over gedaan om zich weer aan de eigen haren uit het moeras te trekken. Hoe moeilijk om weer in beweging te komen, mekaar ervan te overtuigen dat zij De Weg - die de rabbi uit Nazaret hen had voorgedaan - verder moesten zetten. Hoe tergend traag was dat opstandingsverhaal niet tot stand gekomen.

En dan nu: opnieuw een nederlaag. En wat voor een. De ultieme. Het ware logisch geweest indien de verwoesting van Jeruzalem en de tempel het failliet van de messiaanse beweging zou betekend hebben. Want wat valt er, nu werkelijk álles in gruzelementen ligt, nog te beginnen tegen zoveel imperialistische beestachtigheid, zo’n militaire overmacht…?

‘Wat betekent onze strategie nog in deze context?’ moeten ze zich afgevraagd hebben. Die strategie van breken en delen, present blijven bij de slachtoffers, hen doen opstaan uit de opgelegde dood en blindheid, verstomming, verlamming genezen? Wat heeft het nog voor zin vandaag? De bezetting die de tweede generatie messianisten bedreigde, was een absolute bezetting: tot in de hoofden toe.

Marcus moet het gezien, gehoord hebben bij zijn kameraden, wellicht ook zelf gevoeld. Misschien herinnerde hij zich de waarschuwing uit Spreuken (29:18): ‘Waar het visioen verdwijnt, verwildert het volk.’ Hij heeft het in elk geval gepresteerd zijn eigen geest te reinigen van dat Romeinse triomfalisme en een vlijmscherp verzetspamflet neer te pennen. In vergelijking met de andere evangelieschrijvers doet hij dat opmerkelijk kort en bondig - geen inkt verspillen aan eventuele kindheidsverhalen, meteen over tot de orde van de dag. Het moest een handleiding zijn voor wie zich uit deze woestenij weer een weg wilde banen. Exodus op-nieuw, dus.

Waar moet je dan beginnen? In Galilea natuurlijk. Dáár waar de veroveringstocht van de Romeinen begon. En in de synagoge. Daar waar de gemeente verzamelt. Daar klinken die woorden van de boze geesten blijkbaar ook al op: ‘Wat is er tussen ons en jou, Jezus van Nazareth?’ De angst voor messiassen die verzet lopen te prediken, zit er, na het jaar 70, blijkbaar diep in bij de Joodse gemeenten - ze zijn intussen gaan geloven in de onfeilbaarheid van Rome, zo lijkt het. De evangelieschrijver laat zien hoe Jezus gereageerd zou hebben op zo’n bezet denken, namelijk: kordaat het zwijgen opleggen en de deur wijzen. Tijd voor nieuw onderricht!

De schriftgeleerden hebben het monopolie van het ‘leren’. In Jeruzalem zijn de priesters. In het sanhedrin hebben ook de schriftgeleerden een eigen fractie. De meesten behoren tot de farizeeën. De schriftgeleerden hebben in de dorpssynagoge alles in handen, ook de rechtspraak. Zij ‘leren’ de mensen klein te zijn, onderdanig en gehoorzaam. Jezus’ leren is een ‘praktijk’, of beter: zijn leren mondt direct uit in een praktijk: hij maakt mensen los uit die kleinering; hij maakt échte mensen van ze – geen slaafse en onderdanige volgelingen van een theoretische leer en een systeem…

Driemaal in deze korte tekst: ‘terstond’. In deze confrontatie met de man met een boze geest balt de tijd samen tot een onontkoombare spanning. Marcus laat er geen gras over groeien. Hij is gehaast. Hij gaat meteen naar de kern van de zaak. Hij is nog maar pas aan zijn evangelie begonnen of Jezus zit al in de synagoge. Hij doceert er op eigen gezag en hij geneest een bezetene. Je zou zeggen; een blitz-start. Hij start in topsnelheid.

Let op de plaats van het gebeuren: Kafarnaüm – ‘Dorp van troost’. Dit stadje ligt aan de N.-W. kant van het meer van Galilea, op 6 km. van de monding van de Jordaan. Ten tijde van het optreden van Jezus had de stad een strategische ligging: de handelsweg van Damascus naar de zee ging er langs, het was het grensgebied van Herodes Agrippa, en de Romeinen hadden er grote garnizoenen. Het mensenvissen begint, hier in dat bezette Dorp van de troost, dichtbij een zee van el-lende, het letterlijk ‘uit-het-land-zijn’, het ontheemd zijn van zovele mensen.

Kafarnaüm: een verzetsstad; van extremisten tegen de gevestige Joodse religieuze kaste, verzet van Galilea etegenover Jeruzalem, verzet tegen de Romeinen. In de tijd van Jezus en in realiteit een waarachtig wespennest. Een garnizoenstad, een tolstad en een druk handelscentrum. Kafarnaüm situeert zich op een kruispunt van de naties, aan de weg naar zee, een plaats waar velen voorbijkomen, elkaar ontmoeten, handel drijven. Kafarnaüm is een kruispunt van vele wegen.

En Jezus kiest die stad als uitvalsbasis. Sterker nog: verderop in het evangelie zegt Marcus dat hij er een huis en een thuis had. Langs de zee, waar leven en dood bijbels gesproken naadloos aan elkaar raken, gaat Jezus zich vestigen. In het grensgebied, op het randje, als een echte grensganger die contact zoekt met de ‘marginalen’. Hij wil van Kapernaüm een écht ‘dorp van de troost’maken, het dorp van niet alleen.

Hoe kan een dorp van verzet groeien/veranderen naar een dorp van troost? Kafarnaüm – zou ‘Dorp van troost’ moeten zijn (Kaper-nahum), maar is dat helemaal niet. Kafarnaüm is op dat moment (net zoals het gehele land) in handen van de Romeinse bezetter.

Let op de tijd: het is namelijk sabbat, dag van de Heer, dag van rust en afzondering, dag ook van inkeer en bezinning, wanneer Hij zich in de synagoge waagt. En we zullen het zien: Jezus onderhoudt niet alleen de sabbat – hij doèt die ook, brengt hem in de praktijk. De sabbat staat per definitie in het teken van ophouden en stoppen met… Het is een wekelijks moment van wapenstilstand in de moeilijke strijd voor een menswaardig bestaan, een vredesverdrag voor eventjes met alle conflicten, persoonlijk en sociaal. Tijd om te zien dat alles ‘zeer goed’ is. Tijd om halt te houden, om tot jezelf te komen. Tijd om écht te zijn, om tot rust te komen, om vrij te zijn, om ten volle mèns te zijn… Een wekelijks terugkerend feest van bevrijding, een voortdurend en stil protest tegen alle vormen van ‘bezetting’. Eén dag zijn de demonen uit de week niet meer de baas. Dit is de dag van de mèns…

Zoals zo vaak in de bijbel wordt er gefocust op één persoon, een individu dat ‘bezet’ en ‘bezeten’ is. Als een soort ‘pars pro toto’. Straks, als bevrijde inwoner van Kafarnaüm, zal hij uitbeelden, zal hij symbool worden van wat met iedereen moet gebeuren: vrij worden en vrij zijn – hij wordt de ‘primus inter pares’ van alle gedroomde inwoners van Gods Rijk…

Jezus bevrijdt deze mens in de synagoge van Kafarnaüm. Die éne ‘toevallige’ mens staat hier (zoals zo vaak in de Schrift) voor élke mens, voor Elckerlyc, voor Adam. In de wonderverhalen die in het evangelie worden verteld, dragen de zieken, lammen, blinden, bezetenen… meestal geen eigennaam (de blinde Bartimeüs is een uitzondering).Waarom niet? Zou het zijn omdat alle aanwezigen bij het gebeuren bedoeld zijn in die ene man; zou dus de ganse synagoge bezeten zijn door een onreine geest? Zou de man misschien door de aanwezigen in de synagoge besmet zijn met die onreine geest; of zouden de schriftgeleerden dat virus verspreid hebben onder hun toehoorders? Zouden de lammen door de gemeenschap om hen heen verlamd zijn, de blinden door de media verblind, de doven door het nieuws op radio en TV ongehoorzaam geworden zijn? Zijn de genezingen in de evangelies meer dan een individueel geval? Gaat het in de eerste plaats om de reiniging en bevrijding, de verlossing van een groep of (kerk) gemeenschap..? Een ‘onreine geest’ is: de diabolos, de demon, de satan… Iemand/iets dat je ‘bezet’, waar je van ‘bezeten’ bent. Iets/iemand die je onvrij maakt én je onvrij houdt. (Bezet gebied is per definitie: onvrij gebied). Duivel-diabolos. Van ‘diaballoo’: door elkaar gooien. We herkennen meteen ‘le diable’ uit het Frans. De stukmaker, de tweedrachtzaaier, de grote kapotmaker van mensen en hun persoonlijkheid. Hij die alles in brokken en stukken trekt. De duivel ontwricht en ontaardt. Hij is de professionele ontregelaar, de uiteenwerper, de door-elkaar-gooier, de stichter van de chaos. Hij is ook de grote aanklager die geen genade kent. Die aanklager beschuldigt mensen zo meedogenloos, dat ze op de duur gaan wanhopen aan zichzelf en ieder zelfrespect verliezen. En zo worden zij wat ze al zo lang vrezen te zijn: niks, een grote, dikke nul.

De duivel ziet steeds weer kans om mensen tegen elkaar op te zetten, en ook mensen tegen zichzelf. Mensen worden opgehitst tegen hun roeping, weggetrokken uit hun verantwoordelijkheid. ‘Ik heb er niets mee te maken’, ‘Wat kan ik er aan doen’, ‘Ik heb het niet geweten of gewild’, dat is een bloemlezing uit typisch duivelse ‘dood-doeners’. Dat zijn de ondermijnende kreten van waaruit al zo vaak oorlogen zijn ontstaan, mensen in de steek gelaten, ontelbare kansen tot menselijkheid en menswaardigheid zijn gemist. Demonen, boze geesten – die woorden beduiden in de taal en in de verbeelding van bijbelse vertellers de redeloze en ongrijpbare machten waaraan mensen soms onderworpen zijn. Wat spookt er al niet rond in de spelonken van de menselijke ziel? Wat kom je al niet tegen wanneer je afdaalt in de donkere schachten van jezelf? Veel oud zeer komt boven. Schuld, schaamte en angsten duizendvoud. Spoken en wilde dieren in allerlei gedaanten…

Een bezetene is: iemand die het slachtoffer is van angst en vervreemding. Bezet en bezeten zijn door een demon, dat betekent dat je eenzaam bent, geïsoleerd, van mensen afgescheiden. Dat je loopt te schreeuwen van wanhoop omdat je jezelf niet beheerst, omdat de anderen altijd op een afstand zijn. Dat je niemand hebt en niemand bent. Dat je wanhoopt aan jezelf. Ik ben niet meer van mezelf, ik ben bezeten, bezet gebied. Een vreemde vijand heeft mijn binnenkant veroverd. Het is bestendig oorlog in mij. Alles doet pijn, alles zit verwrongen en verkrampt. Ik kan mezelf niet (meer) zijn. En het is niet mijn schuld: ze hebben een overval op mij gepleegd…

Waar Jezus komt, zo wordt het verteld, komen mensenlevens aan het licht als bezet gebied. Maar waar Hij komt, wordt ook meteen het verlangen naar bevrijding gewekt. Het kan anders, het moèt anders, en ten diepste is het al anders, alleen al omdat Hij er is. Is God niet aanwezig in alles wat de mens bevrijdt om hem aan zichzelf terug te schenken?

De eerste die Hij van verschoppeling tot mens maakt, is een man met een onreine geest. Daarmee begint alle bevrijding: de demonen aanpakken. De man wordt bewoond, bezet, beheerst door een macht van buiten, een vreemde macht. Het is niet de schuld van de man, hij is overvallen.

De kernvraag van het evangelie is: hoe kan ik meer vrij worden (dat is ook de diepste vraag van de bezeten man). Wat in godsnaam aan te vangen met mensen die zo bezet zijn door een boze geest? Spreek ze aan bij hun ‘diepste naam’! (Er zitten namelijk ‘mensen’ onder verscholen.) De demonen, de boze geesten aanpakken en uitdrijven: daarmee begint alle verlossing en bevrijding. Krachten die mensen samenhouden en bijeenbrengen zijn genezende, helende krachten…

Deze mens wordt door Jezus bevrijd. Hij geneest hem tot een vrije mens, tot een mens die zichzelf kan zijn, niet bezeten door een ander en niet vervreemd van zichzelf. Wij mogen uit het verhaal begrijpen dat Jezus van Nazareth in de synagoge van Kafarnaüm aan een uitermate zieke mens zijn vrijheid en menselijke waardigheid heeft terug geschonken. Misschien, ja zeker, vertelt Marcus straks nog veel meer zulke geschiedenissen. Maar in elk geval vertelt hij dit als een echt beginsel en beginverhaal. Om de toon te zetten van heel zijn verdere evangelie.

Met dit verhaal uit het begin van zijn evangelie kondigt Marcus het einde van de demonen af. De machten zijn getemd, ze worden tot de aftocht gedwongen, ze verdwijnen in de afgrond. Welke namen ze ook dragen in de taal en in de voorstellingswereld van vroeger of nu – geesten in de lucht, machten van de duisternis, de vervaarlijke draak in het water, het drukkend gewicht van verstarde wetten of denkpatronen, vooroordelen, zorgen, vrees, neuroses, dwangstructuren, economische verdrukking of sociologische wetmatigheden – ze zijn niet onoverwinbaar, ze zijn te verdrijven. Ze zijn in principe reeds overwonnen, ze zijn verdreven. In Jezus. De strijd tegen het demonische wordt dan meteen een opdracht voor al wie gelooft. Wie het gezagvolle spreken van Jezus heeft ervaren, wordt bevrijd en komt tot zichzelf.

Dan ervaart hij meteen ook de verantwoordelijkheid om anderen te bevrijden in Jezus’ naam, uit de kracht van Jezus’ woord. Het evangelie moet als een exorcisme mens bevrijden en de wereld veranderen. Exorcisten zijn allen die geloven. Daar komen geen vreemdsoortige bezweringen en rituelen aan te pas, maar het moedige, geduldige, dagelijkse spreken en doen. Er kan exorcisme werkzaam zijn in protest en actie tegen verdrukking, maar ook in het teder omarmen en nabij zijn van één ander mens in nood…

Allen stonden verbaasd, zegt Marcus. Zou dat niet het laatste en wellicht het enige geheim zijn van het verhaal van Jezus? Dat de wereld gaat zien, dat het goede woord wordt gesproken en dat de onderworpen en verworpen mens vrij kan ademen en leven? Dat is echt verbazend. Je hoort dat zo weinig… Iedereen was opgewonden. De kleine bezetene, de weerloze gestoorde, die is nog het gemakkelijkst te helpen en te genezen. In plaats van hem op te sluiten kan de goede geest hem omarmen.

Maar de erge geesten, de meest kwaadaardige, die zie je zomaar niet. Ze zitten verborgen in en tussen het volk. Ze zitten vooral in de machthebbers, in de economische, militaire, religieuze despoten. De schriftgeleerden zijn er bezeten van, ze heersen alom, het is een ontzettende besmetting, een epidemie die heel de bevolking treft.Jezus begint hier het gevecht tegen die overmacht. De demonen geraken in paniek vanwege zijn faam en reputatie.de schriftgeleerden en politieke machthebbers zullen van nu af aan een complot smeden tegen de verspreider van de goede geest…

‘Wie is Hij toch’: De demon wordt het zwijgen opgelegd… eerst moet heel het Mc evangelie tot op het kruis gebeuren voor de bevestiging er kan komen: de Heilige Gods (door de honderdman)

Wat is een wonder? Wat is er nodig om een wonder te laten gebeuren – met jou, met mij..? Het eerste wonder bij Marcus gebeurt in de synagoge van Kafarnaïm, als jezus een onreine geest uitdrijft. We horen hoe verwonderd de omstanders zijn over Jezus’ woord en daad. Hun reactie luidt unaniem: ‘Wat is dit?’ deze reactie zou je met recht de moeder van alle bijbelse verwondering kunnen noemen. Als een rode draad door het evangelie komen we die verwondering tegen. Steeds weer als Jezus daden verricht die mensen niet in één keer doorgronden en begrijpen. Telkens gaat het over menswording, bevrijding en opstanding die verwondering oproepen.

Jezus bevrijdt de mens van het kwaad. En wat is de reactie van de omstanders? “Wat is dit?” Dat is niet niets, want het betekent dat Jezus als een soort Mozes wordt aangeduid. De reactie “Wat is dit?” is immers precies dezelfde uitroep die de Israëlieten in de woestijn laten horen wanneer ze voor het eerst het manna zien dat uit de hemel is gevallen. ‘Manna’ betekent namelijk letterlijk: “Wat is dit?” De Israëlieten kennen het niet. In Egypte hadden ze wel komkommers en uien gegeten, maar een wit goedje dat uit de hemel valt, dat is ongehoord, ongezien en ongekend. Er zijn geen woorden voor te bedenken. Wat in geen mensenhart opkomt, wordt hier geopenbaard. In een woestijn van onmenselijkheid komt het wonder rechtstreeks uit de hemel naar beneden gedwarreld… Het is duidelijk wat Marcus wil zeggen: die mens die bezeten is door een onreine geest, verblijft reeds jarenlang in de woestijn. Hij moet zijn uittocht, zijn Exodus nog maken. Het is alleen maar wachten op een nieuwe, een andere Mozes, die zal komen om hem te bevrijden. ‘Kom er uit…’ zal Jezus dan ook zeggen tegen de boze geest. Met dat typische Exodus-woord ‘Kom er uit!’

Dat Woord van troost-in-levenden-lijve is het manna uit de hemel, Gods woord, alles wat je maar nodig hebt om van Kafarnaüm een ‘dorp van troost’ te maken midden in de woestijn. Wie hem eet, weet waartoe Hij leeft. Dat wil zeggen: wie doet als Hij, hij lééft en zal blijven leven, zoals Hij. Door te zeggen dat Hij het brood uit de hemel is, zegt de kerkgemeenschap tegelijk hoe zij zelf wil leven. Zij brengt haar eigen levenskeuze onder woorden: tot leven willen komen zoals Hij geleefd heeft, brekend en delend, zichzelf uitdelend als brood en wijn, gelovend wat Hij geloofde, dat namelijk alléén door je leven te verliezen er iets te winnen is, en dat wie zó doet zal opstaan en leven tot voorbij de laatste dag.

‘Ze waren diep onder de indruk van zijn onderricht, want Hij sprak hen toe als iemand met gezag.’ Jezus is iemand met gezag. Spreken met gezag betekent: dat je iets te zeggen hebt aan mensen. Dat je woorden spreekt van bevrijding, genezing, heelmaking. Dat allemaal in tegenstelling met de Schriftgeleerden en Farizeeën. Jezus is een man met gezag, betrouwbaar, naar wie je opkijkt; Hij heeft gezag, omdat Hij erin leeft, Hij is echt, het is een bevrijdende boodschap. Gezag heeft te maken wet consequent zijn

Uitgerekend de boze geest-in-die-bezeten-man noemt Jezus bij zijn diepste naam: ‘Jij bent de Heilige Gods!’ Waar de boze en de goede geest oog in oog komen te staan, in die tweestrijd, die confrontatie, weten zij precies van elkaar wie zij zijn. Jezus ontvangt van deze onreine geest zijn eerste grote titel en erkenning: ‘Gij zijt de Heilige Gods’. De titel ‘Heilige Gods’ is zeldzaam in Israëls historie. De profeten Elia en Elisa zijn er ooit mee gekroond. Daartegen is geen weerstand opgewassen. Voor dit échte gezag moet het kwaad wijken. ‘Ik weet wie Gij zijt: de Heilige Gods’… dat wil zeggen: de ‘ge-heelde’, de ‘ Man-zonder-masker’, de Mens naar Gods beeld, waarvan binnenkant en buitenkant volledig samenvallen…

Zo verwerkt Marcus telkens weer de Schrift als nieuw in zijn verhaal over Jezus van Nazareth, in gelijkenissen en tekenen. Schrift die tot leven komt, die empowerment betekent, die weerstand opbouwt, weerbaarheid bevordert, het gevoel van menswaardigheid opwekt en het zelfwaardegevoel herstelt. Je weet niet hoe precies, maar dat het er is, dat het geschiedt, dat het gebeurt en geboren wordt – dat moet voldoende zijn…

We zijn nog altijd in het eerste hoofdstuk van het Marcusevangelie. Een belangrijk hoofdstuk, een presentatie van Jezus, Marcus beschrijft hoe hij Jezus heeft ervaren. Het is het begin van het evangelie van de messiaanse beweging. Van hieruit wordt heel Galilea een gebied om in rond te gaan, lerend, het goede verhaal vertolkend van God die koning is, en alle leed van eenzaamheid (het is niet goed voor de mens alleen te zijn: Genesis 2) en ziekten genezend. Wat dit voor verhaal gaat worden? Nog steeds aan het begin van het Marcusevangelie, mag dit, moet dit de vraag zijn. Maar met dit (beginsel)verhaal uit het eerste hoofdstuk van Marcus weet je dat het goed wordt.

Dat nieuws gaat als een lopend vuurtje rond. Hier is een leraar die leert op een manier die ons aanspreekt, die ons ruimte geeft, die ons betrekt in het leerproces en ons mee verantwoordelijk maakt. In een echt leerproces is geen plaats voor angst en beven. Die snijden de weg af naar groei in menswording. In de school van de ‘humaniora’ gaat het er anders aan toe. Dat wist Jezus als goede ‘pedagoog van de bevrijding’ maar al te goed. faam: het nieuws raakt overal bekend – iets om over te praten… Maar tegelijk is Kafarnaüm dé joodse stad van het verzet tegen de Romeinen , het ‘verzetshol’. En daarom verspreidt de faam van Jezus zich zo snel doorheen heel Galilea: hij manifesteert zich als een bevrijder, een ‘verzetsstrijder’, een held in het verzet tegen alle machten en krachten die mensen ‘bezetten’…

geert dedecker

Zoeken in Preken Online