Zondag na zondag heeft Jezus zich geopenbaard. Opgaand naar Jeruzalem heeft Hij ons dan uitgenodigd Hem te volgen. Hij heeft gezegd dat het heerlijk zou zijn. Het jaar is bijna om. Zondag aanstaande wordt het besloten: Hij wordt voor Pilatus geleid. Het jaar zal voorbij zijn.
Op deze voorlaatste zondag wordt de vraag gesteld wie of wat zal ten onder gaan. Voor Jezus is het Pilatus, zijn het de Joden, is het de tempel, is het Jeruzalem, is het de hele wereld. Niet Hij, niet zij die Hem vertrouwd hebben: ‘Hemel en aarde zullen voorbijgaan maar mijn woorden zullen niet voorbijgaan’.
Vandaag horen we zijn laatste onderricht. Het is een laatste bemoediging. ‘Ge zult horen van oorlogen en oorlogsgeruchten. Laat u dan geen angst aanjagen’. ‘Aardbevingen en hongersnood, nu hier, dan daar’, zijn maar ‘het begin van de weeën’. Vervolgingen door ‘rechtbanken’ en ‘synagogen’, door ‘stadhouders en koningen’ zijn niet het einde. De beloofde heerlijkheid is het einde en niemand hoeft zich zorgen te maken over wat hij aan de vervolgers zal zeggen. ‘Zegt wat u op dat ogenblik zal ingegeven worden’.
Jezus spreekt over wat de zijnen zullen meemaken. De tijden zijn onrustig. Hijzelf heeft veel weerstand gekend. Hij leeft nu met de dood voor ogen. Hij weet waarover Hij spreekt als hij zijn leerlingen voorhoudt te waken en op hun hoede te zijn. Zijn conditie zal ook de hunne zijn. Het was zo toen Hij zich openbaarde, tijdens zijn ‘openbaar’ en ‘openbarend’ leven. Het zal zo zijn op zijn proces. Het zal zo zijn na zijn verrijzenis. De Kerk zal kennen wat Hij gekend heeft. ‘Gij zult een voorwerp van haat zijn voor allen omwille van mijn Naam’. Onmiddellijk na de verrijzenis, bij de uitbreiding van de Kerk, tot aan de verwoesting van Jeruzalem, veertig jaar later, in heel het Romeinse rijk: Joden en heidenen zullen de christenen vervolgen. De verschrikkingen zullen nooit uit de lucht zijn.
‘Laat u geen angst aanjagen’, want na de verschrikkingen wordt de openbaring voltooid. ‘Ze zullen de Mensenzoon zien komen op de wolken, met grote macht en heerlijkheid’. Boven de wolken is Gods woonplaats. Dáár is het dat de Mensenzoon zichtbaar wordt, in Gods nabijheid, met Gods ‘grote macht en heerlijkheid’. Dan hebben zon en maan en sterren geen lichtende kracht meer nodig. Dan is de Mensenzoon, dan is God het licht, dat voor iedereen zichtbaar zal zijn.
‘Zeg ons, wanneer dat zal gebeuren en wat zal het teken zijn, dat dit alles gaat voltrokken worden’? Petrus, Jakobus, Johannes en Andreas, die Jezus ondervragen, die van het begin bij Hem waren, willen het ogenblik kennen van hun verlossing uit al hun angsten, uit al hun onzekerheden, uit hun lastig leven. Wanneer zal het heerlijk zijn te leven? Het is een vraag voor het einde van een jaar. Jezus antwoordt: ‘Voorwaar, Ik zeg u: dit geslacht zal niet voorbij gaan, totdat dit alles gebeurd is’. De apostelen dachten: het is voor onmiddellijk, straks in Jeruzalem zal het gebeuren. De eerste christenen dachten: het zal gebeuren in de strijd om Jeruzalem. Hij is nu al dertig jaar uit ons midden weg. Wij weten: het is al gebeurd, in Jeruzalem, toen Jezus aan het kruis stierf en drie dagen later verrees. Wij zijn het geslacht dat ’niet zal voorbijgaan’, voor dat alles in ons zal geschied zijn. De dag of het uur waarop alles helemaal klaar wordt, voor ons geslacht en voor de geslachten voor en na ons, kent niemand. Het gaat niet om een dag of een uur. Het gaat om ons leven in Christus Jezus. Wij leven nog in het licht van de zon en de maan en de sterren, maar reeds in het licht van de Verlosser. Wat maakt het ons uit de dag en het uur te kennen waarop de Vader alles heerlijk zal voltooien. Het gaat om de heerlijkheid die begonnen is. Alleen de dag en het uur tellen die ons nu gegeven zijn: om waakzaam, niet om bang te zijn.