Paus Johannes XIII heeft ooit gezegd dat in de loop van de geschiedenis de pessimisten nooit gelijk hebben gehad. En als ze al eens gelijk hadden, hebben ze met hun gelijk nooit iets veranderd. Deze profetische optimist heeft met dat woord overschot van gelijk. Zo leidt hij ons binnen in het verstaan van de lezingen vandaag. Het is een inleiding met ‘pauselijke zegen'.
Dat is maar goed ook, want zowel Marcus als Daniël spreken woorden over ondergang en onheil. Het is pessimistische taal. Spannend is het in elk geval. De mens van vandaag is helemaal thuis in deze aangelegenheid. Vele tekenen wijzen erop dat wij iets beleven als de ondergang van het avondland. Vele tijdgenoten ondergaan deze ondergang. Ze krijgen daarbij zelfs de statistieken aan hun kant. De gunstige prognoses van vijftig jaar terug zijn omgebogen in bescheidenheid. En dat is nog braaf gezegd. De Kerk van twintig eeuwen staat niet meer vast op de rots. De rots is wel vast, maar wij zijn dat allerminst. Wij zijn wankele gelovigen geworden. Waarom? Omdat pessimisme onze raadgever is geworden. Volgens ons verduisteren zon en maan en sterren. Wij zijn als de verweesde leerlingen van Emmaüs. Wij hadden zo sterk gehoopt!
Intussen is alles anders gelopen. Wij noteren alles wat negatief is. De getallen zijn inderdaad niet vleiend. De pessimisten hebben het gelijk aan hun kant. Tenzij een profeet als Johannes XIII gelijk heeft. En hij heeft gelijk! Hij heeft gelijk omdat ‘de twijgen zacht worden’. Dat is een teken van de zomer die nabij is. Vandaag hebben de twijgen inderdaad zachte tinten. Eens zal zachtheid het halen van hardheid. Dat is ontzettend naïef, maar eens zal deze naïviteit de wereld redden. Dat geloof ik voor honderd procent. Alleen, voor dit naïeve optimisme zullen wij vandaag en morgen onze nek moeten uitsteken.
Wij hebben daarvoor niet veel troeven in onze handen. Op de keper beschouwd hebben we zelfs maar één troef in onze handen: ‘Mijn woorden zullen niet voorbijgaan.’ Gods woorden en het effect van die woorden worden niet met statistische parameters gemeten. Zolang we zo meten, staan we met onze christelijke belijdenis in faling. Zolang we deze meters hanteren, neigen we naar de dreiging van het fatale bankroet… en worden we pessimist. Daar kunnen we, zakelijk gesproken, niet veel tegenover stellen. Dat er veel roepingen zijn in Congo en in Vietnam, brengt maar eventjes soelaas. De echte crisis van het christendom heeft te maken met de kern van het christendom. Op dat punt hebben pessimisten gelijk… op het eerste gezicht. Ze onderkennen wel de dictatuur van de cijfers, maar miskennen de vertroosting en de kracht van het woord.
Marcus is in ieder geval heel formeel: ‘Hemel en aarde zullen vergaan, maar mijn woorden zullen niet voorbijgaan.’ Het zou wel eens kunnen dat hieruit blijken zal dat het christendom geen externe succescriteria nodig heeft om waar te zijn. Het kan ook waarachtig zijn, gewoon omdat het waarheid zegt en in de waarheid staat. Ook voor een Kerk met 200 lege stoelen en 57 aanwezigen. De waarachtigheid van ons woord is onze parameter. Dan is God in onze buurt.
Met minder zijn we niet tevreden.