De Schriftgeleerde die Jezus de vraag voorlegt naar ‘het allereerste gebod’ gelijkt goed op de rijke man die vroeg: ‘Wat moet ik doen om het eeuwig leven te verwerven’? Jezus ‘keek die liefdevol aan en sprak: ‘Eén ding ontbreekt u’’. Het antwoord van Jezus ‘ontstelde hem en ontdaan ging hij heen, omdat hij vele goederen bezat’. Hij volgde Jezus niet en verdween van de scène. De vraag: ‘Wat is het allereerste gebod?’ gelijkt goed op de vraag van de rijke man. Het zijn beide vragen van mensen die het ernstig menen met godsdienst en moraal. Ze willen het doel van het leven bereiken en gaan te rade bij de Meester van alle leven. Ze erkennen in Jezus een grote geestelijke leider. Beiden hebben kennelijk een gelijklopende geschiedenis. De ene onderhoudt vanaf zijn jeugd de geboden, hij wordt door het antwoord van Jezus bevestigd. De andere bevestigt zelf Jezus door zijn antwoord: ‘Juist, Meester, terecht hebt Ge gezegd…’. Jezus zit met beide vragers op dezelfde golflengte. In de ene vond Hij veel: Hij ‘keek hem liefdevol aan’. De andere vindt Hij wijs: omdat Hij ‘zag dat hij wijs gesproken had, zei Hij hem: ‘Gij staat niet ver af van het Koninkrijk Gods’ ‘. Ook dit laatste woord van Jezus gelijkt goed op zijn laatste woord aan de rijke man: ‘Eén ding ontbreekt u’. En ook de Schriftgeleerde verdwijnt van de scène.
Het is eigenlijk alsof allen zich terugtrekken. Jezus heeft zijn intocht in Jeruzalem gehouden. Hij heeft de tempel gezuiverd. Als Hij in Jeruzalem terugkomt, wandelt Hij rond op het tempelplein en de groepen leiders van Israël stellen hun vragen, de ene na de andere: eerst ‘de hogepriesters, Schriftgeleerden en oudsten’, dan ’enkele Farizeeën en Herodianen’, daarna nog een aantal ‘Sadduceeën’ en tenslotte de ‘Schriftgeleerde’ van vandaag. Jezus antwoordt aan al de theologen van Israël, aan de rechtsen en aan de linksen. De eersten ’lieten Hem met rust en verwijderden zich’. Farizeeën en Herodianen ‘stonden verwonderd over Hem’. Tot de Sadduceeën zegt Hij: ‘Ge verkeert in grote dwaling’. ‘Niemand durfde Hem nog een vraag te stellen’, zegt Marcus tenslotte, na het gesprek van vandaag met de Schriftgeleerde. Allen trekken zich terug, zoals de ‘Schriftgeleerden en Farizeeën’, na Jezus’ antwoord over de vrouw die op overspel betrapt was. Ook dié confrontatie speelde zich af in de tempel. De Messias zuivert de tempel niet alleen van ‘kopers en verkopers’ en van ‘geldwisselaars’, maar ook van theologen en kerkelijke misleiders.
Durven wij ‘Hem nog een vraag te stellen’? Is trouwens niet alles voldoende klaar? Hoeven we eigenlijk nog vragen te stellen? Wie ’niet ver af van het Koninkrijk Gods’ staat moet de laatste stap zetten. Zijn antwoord wordt verwacht, niet nog weer een vraag die zijn antwoord uitstelt. Wat hij moet durven is de laatste vraag stellen, die het hem zal mogelijk maken die stap te zetten: ‘Heer, ik ben niet ver af van het Koninkrijk, geef mij de moed om er binnen te treden Die laatste vraag zelf is de laatste stap. De vorige vragen dienden grotendeels om die stap telkens weer uit te stellen. Op zich waren ze nodig, nuttig en eerlijk zelfs. De vraag naar de Messias: ‘Welke bevoegdheid hebt Gij om dit alles te doen? Om de tempel te zuiveren?’; de vraag naar de verhouding tussen politiek en godsdienst: ‘Is het geoorloofd belasting te betalen aan de keizer’?; de vraag naar de verrijzenis van man en vrouw: ‘Van wie zal na de verrijzenis de vrouw zijn die meerdere keren gehuwd is?’; de vraag naar onderscheid in de geboden: ‘Wat is het allereerste gebod?’; de vraag naar de verhouding tussen schuld en straf: ‘Mozes heeft bevolen overspelige vrouwen te stenigen. Maar Gij, wat zegt Gij ervan?’; het zijn evenzoveel dramatische vragen. Maar alle zijn ze erop gericht Jezus te vangen, Hem op een punt te kunnen beschuldigen en zelf buiten het drama te blijven waarin God en mens in Jezus verzoend worden. Zelfs de Schriftgeleerde van vandaag, in wiens vraag niets oneerlijks doorschijnt, kan uit zijn aarzeling niet opstaan. Ook hij durft de laatste vraag niet te stellen, die van Bartimeüs, de blinde van Jericho: ‘Rabboeni, maak dat ik zien kan’!, om, door Jezus genezen, zich bij Hem aan te sluiten.
De laatste vraag gaat niet over godsdienst en moraal. Ze stellen is dramatisch zijn lot met Jezus’ lot verbinden.