31e zondag door het jaar B

B-cyclus · Tijd door het jaar · 31e zondag · groen

‘Waar komt het nu op aan?’, vraagt een farizeeër. ‘Dit’, zegt Jezus, ‘is de kern: je moet God beminnen en je naaste als jezelf. Veel preken gaan over God beminnen en onze naaste liefhebben. Er gaan maar weinig preken over dat derde aspect: je naaste beminnen als jezelf. Omdat het er anders maar weinig over gaat, gaat het er vandaag misschien wel te veel over: over houden van jezelf. Te veel van jezelf houden, deugt niet. Maar te weinig van jezelf houden is ook niet goed. Van jezelf houden, jezelf aanvaarden en weten te waarderen is een hele kunst, een levenskunst.

Nog niet zo lang geleden zond de KRO vanuit onze kerk de zondagse eucharistieviering uit via de televisie. Daarna hebben we met een paar mensen de viering op video nog eens ‘teruggekeken’. Ik had er hetzelfde gevoel bij als toen ik - lang geleden intussen - voor het eerst mijn stem terughoorde via een taperecorder. Ik weet nog dat ik toen dacht: wat een rotstem, en wat een lelijke Tilburgse A’s en O’s. Nu, op die video, zag ik er mijn kop ook nog bij. Ik dacht: wat een raar hoofd, wat een scheve mond, en wat een rare ‘smile’ zo af en toe. ‘s Middags belden er een paar mensen, ergens uit het land vandaan. Ze wilden graag de preek; die had hun goed gedaan. Anderen vroegen om de tekst van sommige liederen, en maakten complimenten voor het koor. Twee bellers zeiden: eindelijk eens een voorganger die zo nu en dan een beetje lacht. Zelf dacht ik: die preek had beter gekund. Ik kijk veel te vrolijk, en die stem is veel te Brabants. Maar uit bellen en brieven bleek: mensen zien je vaak anders en beter dan dat je tegen jezelf aankijkt. Soms heb je een hekel aan jezelf, en aanvaard je jezelf niet zoals je bent.

Onze opvoeding in gezin en kerk heeft daaraan ook geen goed gedaan. Al wat je goed afging, werd vaak verzwegen, en datgene waarin je tekortschoot, werd breed uitgemeten. ‘Hoe gaat het met hem?’, vroeg mijn vader aan de regent van het seminarie. Toen keek die man in zijn puntenlijst, en zei: ‘Hij heeft een 5 voor Latijn en een 4 voor algebra’. Maar dat ik een 8 voor geschiedenis had, werd niet vermeld, en de 10 voor declameren stond niet eens in zijn boekje (terwijl priesters meer plezier hebben van een goede dictie dan van algebra). Wat je goed deed en doet, komt niet zo gauw aan bod, en daarom hebben nogal wat mensen er moeite mee in zichzelf te geloven en van zichzelf te houden.

‘Bemin uw naaste als uzelf hebben we vaak eenzijdig uitgelegd als ‘bemin uw naaste in plaats van uzelf. Daardoor zijn veel mensen zelf tekort gekomen, en hebben door hun onvoldaanheid ook anderen en God eronder geleden.

Dit alles is geen pleidooi voor zelfingenomenheid, maar een appèl om te geloven dat er een God is die vindt dat je er mag zijn. De naaste en ik zijn allebei het maaksel van zijn handen. En het doet Hem deugd als we de ander beminnen, niet in plaats van onszelf, maar als onszelf. ‘Jij mag er zijn’, mogen we gerust wat vaker tegen onszelf en tegen anderen zeggen.

Zoeken in Preken Online