God beminnen boven alles

B-cyclus · Tijd door het jaar · 31e zondag · groen

Vroeger bezaten we een klein en handzaam boekje, dat voor iedereen de theologie in zakformaat bevatte. Je kreeg het in bezit zo gauw je kon lezen, en het werd een leidraad voor je hele leven: de catechismus. Al zullen velen niet alle vragen en antwoorden meer kennen, iedereen, ook degenen die het boekje nooit gezien hebben, kennen de eerste vraag. Een goede vraag, de beste uit het hele boekje. “Waartoe zijn wij op aarde?”

Die vraag beheerst het bestaan van mensen. Een vraag waar we gemakkelijk overheen leven, als het ons goed gaat. Maar een vraag, die levensgroot opdoemt in moeilijke dagen.
“Waarvoor zijn wij op aarde?” Maar het antwoord is ingewikkelder. Dit vraagal heel veel uitleg: “Wij zijn op aarde, om God te dienen en daardoor hier en hiernamaals gelukkig te worden.” Kijken we naar het eerste stukje van het antwoord: het ligt er maar aan waar je de klemtoon legt. Heel dikwijls werd die in de praktijk zo gelegd: “We zijn op aarde om Gód te dienen.” En daar ging het hele boekje verder over.
Bijvoorbeeld over welke verplichtingen je had, wat je wel en niet mocht. En bovenal Gods boekhouding, de beloning of straf die erbij hoorden. Welke zouden zwaar waren, de doodzonden en welke maar licht geteld werden: dagelijkse zonden.
Zo werd God afgeschilderd als iemand die gediend wilde worden op mensenmanier. God mocht zijn gezicht niet verliezen, zoals mensen hun gezicht niet willen verliezen.
Het evangelie van deze dag geeft een hele andere kijk op God en op wat wij te doen hebben.
Jezus zegt, dat het eigenlijk eenvoudig is en gemakkelijk gezegd kan worden. Maar twee wetten zijn er van de hemelse Vader: “Gij zult de Heer, uw God beminnen boven alles en uw naaste als uzelf.” Meestal begrijpen we wel - hoe moeilijk het soms ook is in de uitvoering - wat het betekent om onze naaste te beminnen als onszelf. Maar waarom staat er toch, dat God bemind móet worden? Wat is beminnen en liefhebben? Als ons gezegd wordt, dat we móeten beminnen, horen we eigenlijk iets dat niet kan. Beminnen dat móet je nooit, het kan niet afgedwongen worden. Er is geen stok achter de deur die zegt: “Je zult en je moet beminnen, anders dan Beminnen kan maar op een manier: uit vrije wil van binnenuit. Anders is het geen liefhebben.

“Je moet Gód beminnen.” Wanneer dat gezegd wordt in het Oude en Nieuwe Testament, dan wordt de nadruk gelegd op ‘God’. In tegenstelling tot alle andere dingen die niet de moeite waard zijn om te beminnen. Het oude Israël had er al moeite mee. Er werden daar allerhande zaken voorgehouden, die ook bemind moesten worden. Grond en de bodem waarop men leefde. Daarvoor moesten offers gebracht worden en gevochten. Daarvoor mocht bloed vloeien. Macht en eer waren beminnenswaardig.
Het volk keek om zich heen, zag andere volken in het stof kruipen voor hun goden, beelden van goud en zilver, van steen en van hout. En zij deden als zij. Daar tegenover stelt de bijbel: “Je moet Mij beminnen”, zegt God. Al dat andere is niet de moeite waard. Het berooft je van je vrijheid en geeft je niet de kans uit eigen vrije wil lief te hebben.
Het eerste gebod zegt: “Alsjeblieft, zorg dat je vrije mensen wordt. Want pas in volle vrijheid kun je kiezen om te beminnen.”

Het joodse volk had een hele reeks van wetten gemaakt, waarmee men God diende. Sabbatswetten en veel andere regels. Ook regels en wetten waardoor mensen het beminnen van God in rechte banen meenden te moeten leiden.
Jezus zegt: “Hou je vrij, ook van die regels, begin met van harte te beminnen, van binnenuit.” Niet omdat we moeten, maar omdat we zelf willen. En in die vrijheid zullen we samenkomen om te bidden en te zingen. In die vrijheid zullen we sacramenten en tekenen van Gods liefde ontvangen. Omdat we zélf willen kiezen. In dat kader zijn liturgie en sacrament vruchtbaar en helpen ons verder op onze weg naar geluk.
Want daartoe zijn wij op aarde, om gelukkige mensen te zijn, die in vrijheid God en

Zoeken in Preken Online