‘Op de zevende dag rustte God’ hoorden wij in het scheppingsverhaal. Mag ik populair zeggen hoe ik dat versta? Na zijn scheppingswerk ging God aan de zijlijn zitten, omdat Hij een uitstekende vervanger het veld in kon sturen. Hij had immers de mens geschapen en gezien dat het heel goed was; Gods aandeel in de schepping was voltooid. De mens had alles in zich wat hij nodig had om van nu af aan Gods scheppingswerk voort te zetten: verstand om na te denken, een hart om aan te voelen en lief te hebben; de mens kon zien, horen, spreken en had handen en voeten om te handelen. God verkneukelde zich aan de zijlijn; Hij was verliefd op de mens zoals Hij hem/haar geschapen had, zijn beeld en gelijkenis. Die mens had Hij immers bedoeld als zijn medeschepper. Gods scheppingswerk kon nu voortgang vinden met deze mens. Het zou prachtig worden.
Wat zou prachtig worden? Hier komt de tweede lezing in beeld: Hoe zou die wereld eruit zien, die de mens kon/moest gaan waarmaken? Een wereld van liefde moest het worden, een wereld waarin wij mensen omkijken naar elkaar, zorg hebben voor elkaar, erop toezien dat iedereen er mag zijn zoals hij/zij is en als mens tot zijn/haar recht kan komen, erop toezien vooral dat niemand erbuiten raakt. Zo hebben wij het ook verwoord in ons pastorale beleidsplan: de mens moet centraal. Zo’n wereld zou het kunnen worden, als wij mensen ons inzetten voor elkaar (ja, Jezus gebruikt de woorden) met heel ons verstand, met heel ons hart, met al onze krachten. Ja, zo’n wereld kan het worden, moet het worden, desnoods omgekeerd. Prachtig toch! Zo simpel is de opdracht van Jezus, zijn voornaamste gebod. ‘Niemand had er van terug’, zegt het evangelie.
Maar nu de werkelijkheid. Nu de vraag: Wat betekent die opdracht van Jezus voor ons als kerkgemeenschap? Wat hebben wij mensen ervan gemaakt? Beantwoorden wij aan de verwachting van God of stellen wij teleur in het veld? Ik ben bang dat het dit laatste nog teveel is; wij mensen kijken constant naar de zijlijn, maar spelen niet echt, in ieder geval onder de maat. Wij benutten onze talenten niet, in ieder geval onvoldoende. Natuurlijk, bobo’s en coach en trainer zijn belangrijk in de sportwereld, maar het is wel het team op het veld dat het moet maken. Zo is het ook in onze kerk. Als wij praten van kerkopbouw, dan denken wij aan een gemeenschap die actief wordt, en niet opkijkt naar anderen die het wel zullen beslissen, die het wel zullen regelen, die het wel zullen doen. Ons staat een gemeenschap voor de geest, waarin iedereen zich verantwoordelijk weet en iedereen naar vermogen bijdraagt om het waar te maken.
Opkijken naar boven, niet zelf in actie komen maar passief afwachten, wat van boven komt: Is dat niet het beeld van de kerk van vroeger? Het beeld van de kerk dat velen zelfs terug willen?
Natuurlijk, er moet leiding zijn, maar het spel wordt wel gemaakt door het team van spelers in het veld. En dat veld ligt open: Heerlen, deze wijk, in 2006. Hier moet Gods koninkrijk gestalte krijgen vandaag, hier moet liefde gebeuren vandaag, zoals het evangelie
zegt, met verstand, met hart en ziel, met alle krachten. Niemand mag zich daaraan onttrekken. Zo is kerk bedoeld en niet anders.
Wij hebben een pastoraal team dat coördineert, dat faciliteert, dat voorwaarden schept. Dat is iets anders dan dicteren, domineren en de dienst uitmaken. In de Andreas is geen plaats voor een top-down constructie, wij zijn samen de kerk, waarin ieder zijn/haar eigen rol speelt. Mensen aan de top moeten afleren om de dienst uit te maken; ze moeten aanleren te luisteren naar wat mensen aan de basis te zeggen hebben. Ze moeten hen serieus nemen, de kans geven om creatief te zijn en eigen verantwoordelijkheid te nemen. En mensen aan de basis moeten afleren om alleen maar naar boven te kijken voor richtlijnen; zij moeten juist aanleren vrijer te zijn, met ideeën durven komen, creatief durven zijn en verantwoordelijkheid opnemen. Dit is een leerproces voor ons allemaal, waarin wij moeten groeien, zegt het beleidsplan. “Als mensen in de kerk nooit iets hebben mogen zeggen, moet je niet verwachten dat zij van de een op de andere dag het woord nemen”, zei Carlos Mesters. Zo’n leerproces vergt dat wij mensen het volle vertrouwen geven, dat zij het kunnen en willen. Dit houdt ook in dat er in dat leerproces aan beide kanten fouten gemaakt mogen worden.
Aa dat proces van kerkopbouw wil het pastorale team dienstbaar zijn: geleidelijk aan meer en meer ruimte geven aan het zelfstandig opereren van groepen. We zijn samen aan het oefenen, en - als ik het goed zie - daarin al aardig op weg. Ik geef - zonder ook maar iemand tekort te willen doen - twee voorbeelden:
(1) De pastoraatsgroep in onze parochie staat op eigen benen; leden van die groep komen regelmatig bij elkaar en overzien het hele veld van zieken, ouderen, en rouwenden; ze zorgen voor de contacten, de ziekencommunies; ze organiseren de jaarlijkse ziekenzalving; ze doen het met veel zorg en hebben er plezier in.
(2) Ik noem een andere groep, de groep van gastvrouwen, die naar buiten het signaal afgeven dat de kerk van ons allemaal is. Zij bemannen/bevrouwen het parochiehuis en - door die plek in te nemen - geven ze al jaren een beeld van de kerk van de toekomst; en ze doen dat voortreffelijk en met een zekere fierheid.
Iemand in het pastorale team reikte een mooi beeld aan van een kind in verschillende fases van groei: eerst is er de fase van het gedragen worden, van totale afhankelijkheid; dan - nog altijd afhankelijk - de fase van aan het handje lopen en de eerste stapjes leren zetten; dan - de fase van meer onafhankelijk en durven loslaten - op eigen kracht van stoel naar stoel lopen; en zo verder: steeds meer loslaten, steeds onafhankelijker, steeds meer op eigen kracht. En dat allemaal gevoed door het vertrouwen: ze kunnen het, ze willen het en zo moet het. Zo’n kerk willen wij worden in de Andreas; omdat we geloven dat dit de kerk van de toekomst is; omdat we geloven dat dit ook helemaal beantwoordt aan de gemeenschap die Jezus van Nazareth voor ogen staat, Gods koninkrijk op aarde.