30e zondag door het jaar B

B-cyclus · Tijd door het jaar · 30e zondag · groen

‘Wat wilt ge dat Ik voor u doe’? Jezus’ vraag aan de blinde hebben we nog gehoord. Hij verlaat Jericho, laatste halte vóór Jeruzalem. De genezing van Bartimeüs is ook zijn laatste gebaar en laatste onderricht op zijn tocht naar de stad waar alles zal gebeuren. Al zijn doen en denken liggen erin vervat. Jezus heeft zelf alles verlaten en gaat beslist naar Jeruzalem, waar Hij van zijn Vader heerlijkheid zal ontvangen. De blinde vraagt dat hij zou zien, hij wordt van zijn blindheid genezen ’en hij sloot zich bij Hem aan op zijn tocht’, besluit het evangelie.

De vraag: ‘Wat wilt ge dat Ik voor u doe’ hebben we vorige zondag gehoord, toen de zonen van Zebedeüs Jezus apart namen om Hem hun ereplaatsen te vragen. Jezus stelt aan iedereen dezelfde vraag. En iedereen antwoordt op zijn manier, iedereen spreekt zijn eigen wens uit, iedereen zegt Hem wat hij eigenlijk wil.

De zonen van Zebedeüs, twee apostelen, willen iets totaal anders dan de zoon van Timeüs, de blinde bedelaar die bij de poort van Jericho zit. De enen zien. Ze zien dat Jezus voortdurend aan invloed wint. Ze zien zichzelf reeds deelhebben aan zijn macht, wanneer Hij in Jeruzalem allen zal overwonnen hebben. Ze zien zich reeds bekleed met de rijke mantels van het gezag. Daarom is het dat ze Jezus volgen. Ze hebben wel alles prijsgegeven, maar het is om nog meer te krijgen. Eigenlijk hebben ze niets prijsgegeven. Het zijn apostelen, wat betekent ‘gezondenen’. Ze zullen gezonden worden, op weg moeten gaan, en ze denken aan hun zetel, aan hun eer, aan hun macht.

De andere, de blinde zoon van Timeüs, ziet niet. Hij heeft wel al heel zijn leven zijn zetel. Hij zetelt bij de stadspoort. In zijn altijddurende nacht bedelt hij. Niemand denkt eraan hem uit te zenden. Een zending moet een blinde nooit verwachten. Een machtszetel zal hij nooit zien. Hij zit op de grond en dat zal zo blijven. Een machtsgewaad zal hij nooit dragen. Hij heeft niets prijs te geven. Hij hééft niets. Hij hoopt óók meer te krijgen, net als de apostelen, maar het ‘meer’ dat hij kan hopen is weinig meer dan het niets van zijn bestaan: het is het ‘dagelijks brood’ dat Jezus een paar jaar eerder leerde te vragen. Zijn gebed tot God valt samen met zijn dagelijkse bedelarij aan de mensen.

Het is wanneer Jezus aan deze niet-apostel voorbij komt, met zijn apostelen die in hun dromen reeds pakken rijke kleren en kronen zien, dat het laatste wonder vóór Jeruzalem plaatsvindt, dat Jezus zijn laatste onderricht van de tocht geeft, dat de blinde nog zijn mantel afwerpt, zijn bedelaarsmantel, al wat hij heeft, en in al zijn schamelheid, trillend van vrijheid en hoop, opspringt, in de richting van Jezus sukkelt, Hem vraagt dat hij zou mogen zien, door Jezus van zijn blindheid genezen wordt, en in al het licht van hemel en aarde, dat als een zee in zijn dode ogen springt, beslist Hem te volgen ‘op zijn tocht’.

Beslist is teveel gezegd. En vrijheid was ook te veel gezegd. Het was meer hoop dan vrijheid. Het was ook nood en bijna wanhoop. Het was het uiterste van zijn hoop, dat maakte dat hij zich niet stoorde aan de mensen: ‘Velen snauwden hem toe te zwijgen, maar hij riep nog veel harder: ‘Zoon van David, heb medelijden met mij!’ Het was in uiterste hoop dat hij op Jezus riep, dat hij in de juiste richting strompelde, dat hij durfde vragen: ‘Rabboeni, mijn Meester, maak dat ik zien kan!’

Jezus zien en Hem volgen is nooit alleen vrijheid en beslissing. Wie alles vrij en beslist aankan treedt moeilijk in gemeenschap met iemand anders. Hij heeft geen nood aan hem. Hij wordt uitgenodigd, maar laat zich niet overtuigen. Hij wordt wel geroepen, maar volgt niet. Jezus zien en hem volgen is ook erkennen van nood en vermijden van wat bijna wanhoop is, het is hoop en geloof, in één opspringende beweging, zoals van de zoon van Timeüs, of via een lange weg, zoals die van de zonen van Zebedeüs: dáár komt het niet op aan.

Zoeken in Preken Online