Waarom hebben die mensen in het bericht van Marcus toch zo’n hinder van die bedelaar Bartimeüs? Ze zullen in die tijd toch wel meer bedelaars gekend hebben? Toen was dat toch nog een algemeen maatschappelijk verschijnsel? Daar was men aan gewend. Zijn wij ook niet eraan gewend geraakt bedelbrieven in de bus krijgen? Worden wij ook niet gewoon aan de met regelmaat terugkerende monsteracties voor een goed doel met gironummer? Waarom hebben die mensen in dit verbaal dan zo’n moeite met deze ene sukkelaar, dat de één na de ander hem toesnauwt dat hij zijn mond moet houden? Wat doet Bartimeüs voor bijzonders dat iedereen er last van lijkt te hebben?
Nu heb ik daarover het volgende gehoord. Het Griekse woord dat Marcus gebruikt om het roepen van Bartimeüs te omschrijven, gebruikt hij ook om het gekrijs van bezetenen weer te geven. Hij hanteert het ook als de leerlingen op het meer een spook menen te zien. Er staat dus zoiets als: ‘Bartimeüs ging als een bezetene te keer’. Dat kan een verklaring zijn. Want je kunt dan wel gewend zijn aan bedelaars, maar er zijn grenzen. Het geluid dat deze man uitstoot is niet om aan te horen.
Zoiets is voor ons in een andere vorm wel herkenbaar. Denk maar eens aan die momenten dat er zo’n programma via de televisie de huiskamer binnenkomt, waarbij de ellende zo hard en genadeloos in ons gezicht wordt gegooid dat we het niet meer kunnen aanzien. Dan is er maar één oplossing. Je zet het apparaat uit of je kiest een andere zender. Misschien is dat programma niet veel zaaks, maar het is in ieder geval niet zo schokkend of verontrustend.
Nu komen we dicht bij de kern van dit evangelie. Bartimeüs laat zich namelijk helemaal niet ‘uitzetten’. Integendeel, er staat dat hij, hoe meer ze tegen hem zeiden, nog hysterischer ging roepen. Hij was niet te stuiten. Zijn roepen had de kracht van zo’n intens verdriet en zo’n laatste hoop op verlossing gekregen dat hij niet meer zwijgen kon: ‘Zoon van David heb medelijden met mij'.
Herkennen wij dat ook? Natuurlijk wel. Want wie kent niet dat ongelukkige moment waarop, midden in je bezigheden, in je dag, je agenda, iemand op je af komt die een verhaal tegen je begint te spuien. Mensen die zo geladen, getergd, vereenzaamd of tekort gedaan zijn, dat ze zich ongevraagd meester maken van je tijd, je aandacht, je goede raad. Het zijn mensen die precies nu, van jou de bevestiging willen horen van hun klacht of grief. Dan kun je wel aankomen met: ik moet nu écht weg, of het eten wordt koud, maar dat leidt alleen maar tot een nog dringender beroep op ons.
Wat gebeurt er nu als Jezus stilstaat en tegen de mensen die met Hem onderweg zijn zegt: ‘Roep hem eens hier’. Dan doet Jezus iets wat voor ons veelzeggend is. Ons wordt op dat moment duidelijk gemaakt hoe Gods ‘internet’ werkt. Hoe het signaal van dat hartverscheurend roepen wordt opgevangen. Dat dat gebeurt door iemand die de moeite neemt om stil te staan. Die tegen je zegt: wat kan ik voor jou doen. Feilloos heeft Jezus gehoord dat dit roepen geen gewoon bedden is. Dat dit de kracht is van het geloof dat bergen verzet. Dat hier iemand roept die niet langs de weg zit, omdat hij de sensatie mee wil maken dat er een beroemde rabbi langskomt, zoals bij de meesten die Jezus volgen. Bij deze mens gaat het om zijn weg naar de toekomst. Het gaat om alles of niets. Het gaat erom of het nog iets wordt of dat het nooit meer goed komt. Voor dat roepen staat de rabbi stil. Voor zo’n roepen en vragen kennen wij een ander woord dan bedelen. Het is de stem van God die in ons smeekt om uitzicht waar geen weg is. Er is maar een woord voor: bidden. Het is van binnenuit niets liever willen dan zien wat je nog niet zien kan. Een wereld waar verzoening mogelijk is, een samenleving die uitzicht biedt op werk, of een plek waar je tot je recht zult komen. Als dat eruit komt, bidden we. Als dat gebeurt, verheffen we ons hart tot God in elkaar. God geve ons dat we op dat moment ook iemand vinden die stilstaat. Iemand die weet hoe het internet van God werkt. Dat er iemand is die ons gehoor geeft; en als het anderen betreft: dat wij op onze beurt gehoor geven. God verhoede dat we Jezus’ woord en daad hier opvatten alsof hij een soort tovenaar was die deed wat wij niet kunnen. Hij was geen tovenaar, maar een verlichte die van het gewoonste een wonder kon maken. Gods roepen in mensen is doodgewoon. Wij hebben alleen erg veel moeite het serieus te nemen en elkaar te verhoren.
We hoeven niet bang te zijn dat wij niet zouden kunnen wat zich tussen Jezus en Bartimeüs afspeelde. Als wij het wonder van de liefde - dat we bij elkaar afbidden - niet meer zouden kunnen volbrengen, dan hebben we vandaag tevergeefs gehoord over Jezus en Bartimeüs in Jericho. Het roepen om uitzicht, kan ook vandaag door ons mensen van deze eeuw nog verhoord worden.