Is het u ooit opgevallen hoe vaak volwassenen een kinderbijbel gebruiken om een Bijbelverhaal beter te kunnen begrijpen en aanvoelen? Er is zelfs een kinderbijbel die voor meer dan tachtig procent uit illustraties bestaat. In dat prentenhoek, die kijk-Bijbel, staat ook het verhaal uit het evangelie van vandaag. Laten we twee plaatjes daaruit wat uitvoeriger bekijken.
Op de eerste afbeelding is de blinde Bartimeüs te zien. Hij heeft een witte lap voor zijn ogen gebonden. Hij kijkt omhoog en roept naar Jezus om hulp. Nog net is de witte band bovenaan het plaatje te zien, de rest wordt ingevuld door een grote mond, een schreeuwend gat om aandacht. Brutaal en ongegeneerd weerstaat hij de afkeuring van de gezonde mensen die zeggen: val die man toch niet lastig, doe niet zo onbehoorlijk. Maar Bartimeüs houdt zijn mond niet.
Zo schreeuwen mensen overal vandaan om hulp. Brutaal komen ze onze huiskamers binnen via televisie, radio en krant. Ze roepen om hulp en aandacht tegen tirannie en uitbuiting; zij willen dat wij hun honger zien en hun ziekten van allerlei soort. Zij kloppen ook bij ons als kerkmensen aan omdat zij niet kunnen leven van brood alleen. Zij willen antwoord op de grote vragen die hen kwellen: waarom is het zo met ons gesteld? Wat doen jullie er aan? Jullie, die zeggen te leven naar de normen van het evangelie.
Of we het willen of niet: Bartimeüs blijft aandringen met zijn grote mond. Hij blijft een beroep op ons doen om mee te mogen delen in ons geluk.
Dan staat Jezus stil. Hij laat zich aanspreken. Hij tilt de mens van de zelfkant op de weg-van-het-komen-en-gaan en geeft aandacht. Wat wil je dat Ik doe? En hij, de blinde, voelt zich al half genezen doordat zijn verlangen naar beterschap wordt gehoord, doordat er aandacht is en hij meetelt in het gezelschap van Jezus.
Er is nog een tweede afbeelding in ons prentenboek waar we even naar kijken. Bartimeüs kan weer zien. Jezus heeft tegen hem gezegd: ga, je vertrouwen heeft het wonder bewerkt. En daar staat hij dan met een paar wondermooie, grote ronde ogen. Hij zíet, onze Bartimeüs; voor het eerst. Dat is voor de meesten van ons bijna niet voor te stellen, wij die al heel ons nog korte of al langere leven kunnen zien. Wij die soms zelfs zeggen dat we het voor gezien houden. Al het moois van de schepping, al die mensen in hun veelkleurigheid, alle planten, dieren en bomen te mogen zien voor de eerste keer!
Heer, geef dat ik zien mag, zien met nieuwe ogen.
Zien wat me te doen staat, zien waar ik mag lopen op uw weg.
Geef toch
dat ik de oude mantel van de machteloosheid kan afgooien
en zonder de ballast van ‘ik heb het wel gezien’
kan meegaan op jouw tocht naar mensen,
zoals ik er vroeger een was.
Dat we toch zien mogen wat er werkelijk met hen aan de hand is.
Het is een levensgebed; dat hebben de leerlingen goed begrepen. Leren zien wat geloven is. God Ieren zien als een goede Vader. Onze medemensen leren zien als broers en zussen. Onszelf leren zien als kind van God en niet als een mislukkeling. De wereld leren zien als Gods komend Koninkrijk. Er is daar veel werk aan de winkel waarvoor je je ogen niet meer kunt sluiten.
Maar even goed oog krijgen voor alles wat er al gebeurt, oog krijgen voor de vreugdevolle solidariteit die al beleefd wordt. Oog krijgen voor een blij evangelie en voor mensen die er zich vol vertrouwen en gelovig aan overgeven. Met Bartimeüs gaan we Jezus volgen op zijn weg. Dat is de uitnodiging aan ons, hier en nu.