Derde zondag door het jaar (2009)

B-cyclus · Tijd door het jaar · 3e zondag · groen

Inleiding

“De Heer zag aan de oever van het meer van Galilea twee broers, Andreas en Petrus, en Hij riep hen: Volgt Mij; Ik zal u vissers van mensen maken.” Dit is de tekst waarmee we zingend de eucharistieviering begonnen. Het is een herinnering aan de begintijd. Wil je met iets doorgaan, breng je dan het begin te binnen, waar de inspiratie voor dat waar je mee bezig bent en waarmee je wilt doorgaan, het zuiverste en het krachtigste was. Het bijzondere van ons geloof is dat we steeds dat begin in ons midden mogen hebben, altijd weer; zoals Hij toen was in lijden, dood en verrijzenis, zo is Hij ook nu in ons midden. Op de eerste dag van de week viert de Kerk aan het begin van de eucharistie Jezus’ verrijzenis uit de doden. De volheid van het kwaad, de moord op de Zoon van God, is ingehaald door de volheid van Gods barmhartige liefde. We vieren dat met de herinnering aan ons doopsel, hoe ook bij ons persoonlijk de volheid van ons kwaad is ingehaald door Gods barmhartige liefde. Wij worden ondergedompeld in het lijden en de dood van Jezus en staan daaruit op als nieuwe mensen, die een nieuw begin mogen maken. Wij willen dit gebeuren opnieuw in onze herinnering te brengen en opnieuw aan ons laten geschieden.**

Homilie

“Nog veertig dagen en Ninive zal vergaan!”, hoorden we in de eerste lezing. “De tijd is kort geworden”, zegt sint Paulus in de tweede lezing, “de wereld die wij zien gaat voorbij." Het is nog maar van korte duur. En Jezus’ eerste woorden in zijn eerste preek zijn: “De tijd is vervuld.” Waarmee is de tijd vervuld? Wat heeft het geschiedenisboek van God, de heilige Schrift, te melden over de geschiedenis van de mensen? Waarvan is de tijd vervuld? Waar zijn de mensen mee bezig? De mensen zijn met niets anders bezig dan met zondigen. Wat staat er in de Schrift geschreven over de mens direct na zijn schepping? Dat de mens in zonde vervalt; de zondeval komt uitgebreid ter sprake. En een paar bladzijden verder lezen we: “Toen de Heer zag hoezeer op aarde de boosheid van de mensen was toegenomen en hoezeer de begeerte van hun hart de hele dag naar het kwade uitging …” (Gn 6,5). “De aarde was voor de ogen van God verdorven en vol gewelddaden. En God zag hoe bedorven de aarde was, want alle mensen op de aarde gingen verkeerde wegen” (Gn 6,11.12). Die vloed van zonden werd dan ook beantwoord met de zondvloed. Maar deze vloed van zonden werd ook ingehaald door een nog grotere vloed van genade, eerst door de mensen en de andere levende wezens in de ark te sparen voor de zondvloed en daarna volgt nog de regenboog, de boog van verzoening, het teken van het verbond van God met Noach dat zoiets nooit meer zou gebeuren.

Later in de geschiedenis, bij Abrahams bede om Sodom en Gomora te sparen voor de toorn van God, zei de Heer: “Luid stijgt de roep om wraak uit Sodom en Gomorra. Uitermate zwaar is hun zonde (Gn 18,20). De maat is vol, zoals we zo even ook nog hoorden over Ninive: “Nog veertig dagen en Ninive zal vergaan!”\

Die lijn van zonde vinden we door heel de geschiedenis. In 1995 verklaarde zuster Lucia, één van de zieners van Fatima, op haar oude dag: ‘Onze Lieve Vrouw heeft mij dikwijls gezegd, dat vele landen van de bodem zullen worden weggevaagd. Rusland zal een gesel zijn in Gods hand om de mensheid te straffen.’ Driemaal heeft Onze Lieve vrouw gezegd dat de laatste dagen aanbreken. De kelk vulde zich steeds meer en meer en thans loopt hij over. We zien dat ook om ons heen: de geschiedenis is vol van kwaad, van gruwelen en gewelddaden, vol hartverscheurend leed. En wát wij zien is nog maar een fractie van wat er werkelijk aan de hand is. Het eigenlijke van het kwaad zit in het menselijk hart. Daar begint het, daar bevindt zich de oorsprong van alles waar de mensen in hun gedachten, in hun bedoelingen, zelfs in hun onderbewustzijn mee bezig zijn. Geen wonder dat er mensen zijn die op een gegeven moment zeggen: ‘Zo kan het niet langer, de geest is uit de fles, de maat is vol.’\

Dat is wat Johannes de Doper ook al geroepen heeft: “Reeds ligt de bijl aan de wortel van de bomen” (Mt 3,10; vgl. Lc 3,9) … “De wan heeft Hij in zijn hand en Hij zal zijn dorsvloer grondig zuiveren (Mt 3,12). En áls Jezus dan komt, Hij, die Johannes heeft aangekondigd als de Sterkere: “Hij die na mij komt, is sterker dan ik”, zegt hij inderdaad: “De tijd is vervuld, de maat is vol, en het Rijk Gods is nabij; bekeert u en gelooft in de Blijde Boodschap.” Hij zegt dus wel dat de maat vol is, maar Hij voegt daar onmiddellijk aan toe: geloof niet wat iedereen verwacht dat, nu de maat vol is, God gaat straffen en er een veroordeling volgt, een afrekening. Nee, geloof daar niet in, er volgt geen oordeel, geen straf. “Gelooft in de Blijde Boodschap.”\

Er wordt een tussentijd ingelast tussen Jezus’ eerste komst in nederigheid en zijn tweede komst in heerlijkheid. Het is een tijd van genade, waarin God zijn barmhartigheid laat zegevieren. Hij heeft spijt van zijn plannen. Heel onze wereld is één groot Ninive, één groot Sodom en Gomorra, in de zonde, maar ook in de genade. Want terwijl de tijd volloopt met kwaad, de vloed van zonden ons tot de lippen stijgt, de beker vol is, de maat vol is, zendt God zijn eigen Zoon, niet om te oordelen, te veroordelen of te straffen, maar om de genade te geven van de bekering. *“Bekeert u.” *

“Waar de zonde heeft gewoekerd”, zegt sint Paulus, “werd de genade mateloos” (Rom 5,20); gedijde de genade tot nog rijker vrucht. Daarvan is de Kerk, waarvan wij in het evangelie het begin geschetst zagen in de roeping van de eerste twee maal twee apostelen, het genadevolle teken, het sacrament dat niet alleen verwíjst naar Gods barmhartigheid, maar die genade, die barmhartigheid ook werkelijk bevat.

Het is een geliefd beeld van de kerkvaders de Kerk te schetsen als de ark van Noach op de wateren van de zondvloed. Overal om ons heen en ook in ons eigen hart heerst de zonde, maar in de Kerk worden wij, als in de ark van Noach, gered. In het sleepnet van de Kerk worden wij gered, wij, die anders in de zondvloed verloren zouden gaan. De enkelen worden gebruikt als beeld van zovele anderen, want die enkelen waar het evangelie het over heeft, zijn niet exclusief, het is geen exclusief gezelschap, maar ze zijn inclusief; zíj zijn de eersten en de anderen volgen.

Zoals het uw opdracht is als zusters van de altijddurende aanbidding van het heilig Sacrament eerherstel te brengen voor zoveel anderen, zo geldt dat eigenlijk voor heel de Kerk. De Kerk is representatief, brengt eerherstel voor héél de mensheid. Er staat een hele grote menigte achter ons kleine gezelschap, want God werkt in het verborgene, onzichtbaar, maar Hij doet het in het groot. Uiteindelijk zal aan het licht treden, in de heerlijkheid van Gods openbaring manifest worden, wat in het begin in het verborgene begonnen is, om zich tot een uitmaat van heel de mensheid uit te breiden.

Zoeken in Preken Online