Met grote regelmaat, dierbare parochianen en gasten; met grote regelmaat worden er in deze kerk kinderen gedoopt. In de meeste situaties zuigelingen. Meestal doop ik in één viering, op zondagmiddag, een paar kinderen uit verschillende families tegelijk. Het kunnen er twee, drie, vier of zelfs vijf zijn. Daarmee wordt zo’n doop meteen een ervaring van kerkelijke gemeenschap, ook wat betreft de voorbereiding er op. Ik vind het een goede zaak als jonge ouders van wie er in elk geval altijd één katholiek is; ik vind het een goede zaak als die jonge ouders met elkaar in gesprek raken over vragen als: Hoe ziet mijn geloof er uit? En: Welke spirituele bagage wil ik meegeven aan mijn kind? Wat wil ik dat er terecht komt in dat denkbeeldige mentale rugzakje van mijn spruit? Wat ga ik daar zelf instoppen? Natuurlijk beginnen we de avonden met een zogenaamd “voorstellingsrondje”. Ik vraag aan de ouders om uiteraard hun naam te noemen en vervolgens te vertellen wat het mooiste was dat ze op de dag die op dat moment achter hen ligt hebben meegemaakt. Veel ouders vertellen dan over een mooi moment met hun kind. Ik herinner me een moeder die vertelde dat een al wat ouder kind gespeeld had en daarbij uit de boom gevallen was. Het was vies geworden, maar: “kijk mama al mijn knopen zitten nog aan mijn jas!” had het gezegd. Een mooi moment. Dáár vraag ik dus naar. En niet, in dat voorstellingsrondje: Waar woon je? en wat doe je voor werk? Ook op het zogenaamde “kerkelijk inzetformulier”, een complete waslijst van alles wat er hier en in de Vredesparochie gebeurt en waarvoor mensen zich kunnen inzetten; ook op dat kerkelijk inzetformulier waarin ik de ouders uitnodig om zich te verdiepen en dat ik hen vraag in te vullen; ook op dat kerkelijk inzetformulier wordt daar niet naar gevraagd, naar de beroepen die men uitoefent - terwijl dat natuurlijk wél ooit heel handig zou kunnen zijn - als we bijvoorbeeld een nieuwe penningmeester voor de parochie zouden zoeken. Als je dan door dat formulier zou weten dat een bepaalde ouder bankdirecteur is, dan zou je die kunnen vragen … Af en toe zit ik nog een beetje te schaven aan dat formulier, vooral vanwege feed-back die ik er soms op krijg. Van de week hoorde ik over een school waar ze ook zoiets hadden en daar, op het formulier van die school, was er wél naar gevraagd: Wat doet u voor werk? En: Wat zijn uw hobby’s? En: Mogen we eventueel een beroep op U doen vanwege dat werk of die hobby’s? Toen ik dat hoorde moest ik denken aan ons eigen formulier en overwoog ik: Zullen we het er niet tóch opzetten? Maar ik dacht: nee, toch maar niet … En dat “toch maar niet”, dierbare gasten en parochianen, heeft alles met het evangelie van deze zondag te maken.
Want daarin gaat het over vissers aan het meer van Galilea. Ik ben er een paar keer geweest aan dat meer, drie keer om precies te zijn, steeds in het voorjaar met mooi weer. Het is er onbeschrijflijk mooi. Het meer van Galilea is ovaalvormig en ligt tussen de groene, in het voorjaar met bloemen bezaaide heuvels. In een dag kun je eromheen fietsen, wat ik ook gedaan heb. Het landschap van Galilea is het vijfde evangelie zeggen ze daar en ze hebben gelijk vind ik. Je hart gaat open als je daar bent. En het is net of het landschap van Galilea je iets te zeggen heeft. Onze Lieve Heer had geen bétere landstreek kunnen uitzoeken om zijn blijde boodschap te verkondigen … En hij deed dat, dat verkondigen, om te beginnen aan de vissers. Hij liep langs het meer en sprak hen aan: “kom achter mij aan, en Ik zal jullie tot vissers van mensen maken.” “En meteen lieten ze de netten achter en volgden Hem”, zo hoorden we. Ze doen het meteen veelgeliefden. Er wordt niet gedraald en uitgesteld en voor zich uitgeschoven. Er wordt niets gemitst en gemaard. Blijkbaar ervaren die vissers onmiddellijk: Hier is iets bijzonders aan de hand. Dit is van een andere orde wat ons nu hier overkomt. Tegen deze man en wat Hij van ons vraagt, dáártegen kunnen en mogen we geen “nee” zeggen. We zouden onszelf en anderen tekort doen als we het wél zouden zien. Dan zouden we de bóót missen. Ja, dán zouden we de boot missen …
Bij en in Jezus Christus, veelgeliefden, gaat het inderdaad om iets van een hogere én dieper orde dan wat voor werk je doet of uit welk nest je bent. Het zijn twee broederparen waaraan Jezus vraagt om achter Hem aan te gaan. Eerst vraagt Hij het aan Simon en Andreas. En vervolgens nodigt Hij Jakobus en Johannes uit. En van die laatste twee wordt gezegd: “Ze lieten hun vader Zebedeüs met zijn arbeiders achter en gingen achter Hem aan.” Je vader, je oorsprong achterlaten, dat is nogal wat. Je vader en je werk en daarmee je middelen van bestaan, je basis, wat veiligheid geeft. Dat doe je alleen maar, veelgeliefden, als je inziet dat het niet anders kan, dat je wel móet omdat het om iets wezenlijks, om iets essentieels gaat. En daarom gaat het bij en in Jezus Christus veelgeliefden.
“De tijd is rijp en het koninkrijk van God is ophanden. Bekeer U! Heb geloof in de goede boodschap” hoorden we de Heer in het eerste gedeelte van onze evangelietekst zeggen. En die woorden lijken op wat we de profeet Jona in de eerste lezing vandaag al eerder hoorden zeggen: “Iedereen moet terugkomen van zijn slechte wegen en van het geweld dat aan zijn handen kleeft.” Maar ik ben toch geen geweldadig mens? Aan mijn handen kleeft toch geen bloed? Ík steek toch niet in op weerloze baby’s in een crèche zoals afgelopen week in Sint-Gillis in Vlaanderen gebeurde door een man van twintig? Zo’n man is een beest en dat ben ik toch niet? Ik hoop het niet veelgeliefden. Er bestaat echter ook geweld dat niet-fysiek van aard is, maar dat wèl ook heel hard en beschadigend kan zijn. Zulk geweld kan ook in de kerk, onder ons dus, voorkomen. In zijn nota “Nieuwe tijden, nieuwe wegen” van (datum) schrijft onze bisschop Jozef Punt: “De liefde tussen broeders en zusters is vaak ver te zoeken; binnen de kerk is evenzeer wereldsheid als daarbuiten.”[1] Aldus onze bisschop. “Iedereen moet terugkomen van zijn slechte wegen en van het geweld dat aan zijn handen kleeft” zegt Jona en ik denk dat het nodig is dat ook wíj goed naar die woorden luisteren en ze goed tot ons laten doordringen, want ook wij kunnen dovemansoren hebben. “De tijd is rijp en het koninkrijk van God is ophanden. Bekeer U! Heb geloof in de goede boodschap.” Wij mogen dan zogenaamde “christenen” zijn, tóch is het nodig dat ook wíj ons “bekeren”, dat wij ons áfkeren van allerlei naargeestige manieren van denken en doen en dat wij ons ómkeren naar, dat wij ons tóekeren náár dat koninkrijk van God en naar datgene wat de goede boodschap ons te zeggen heeft en van ons vraagt. En dat koninkrijk, veelgeliefden ik herhaal het; dat koninkrijk ís iets wezenlijkers en die goede boodschap heeft betrekking óp wezenlijker zaken als wat voor werk je doet en waar je wieg stond - wat zaken zijn waarmee mensen zich vaak wél enorm identificeren (“Ik kom uit … (plaatsnaam)”, “Mijn vader was … (beroep)”, “Zelf ben ik … (beroep)”. Voor het koninkrijk waarover Jezus spreekt veelgeliefden is het allemaal niet van belang - behalve dan dat wij ons óók wat betreft ons beroep ten dienste kunnen stellen ván dat koninkrijk. “Ik zal jullie tot vissers van mensen maken.”
Want, ja, veelgeliefden, dat koninkrijk gaat over mensen. Het gaat over ons, van top tot teen en met huid en haar. Het gaat om ons hart en het gaat om ons wezen, om dat van U en dat van mij en van iedereen, niemand uitgezonderd, zelfs de babyslachter van Sint-Gillis niet, zelfs hem mogen we niet opgeven. Hij is een arm mensenkind in grote nood, een schaap dat volkomen de weg is kwijt geraakt, een mens die blijkbaar het contact met zijn goddelijke oorsprong en goddelijke roeping en bestemming geheel verloren heeft, daar geen wéét van heeft, het bewustzijn daaromtrent in zijn “mentale rugzakje” misschien niet heeft meegekregen en wellicht dáárom tot zijn weerzinwekkende gruweldaad gekomen is: omdat naar zijn aanvoelen en idee het leven blijkbaar zinloos is en een mens niets waard, die baby’s niet en hijzelf ook niet. Zo mogen wíj dus niet denken, ook over hém niet. Ook zíjn bloed, dat van de babyslachter van Sint-Gillis, is kostbaar in Gods ogen. Juist hij heeft ons gebed hard nodig. Laten we voor hem bidden dat hij nog ooit iemand van Jezus ontmoet die in staat is om tot hem door te dringen, om zijn verborgen, diep weggestopte, verharde, geharnaste hart te raken. Laten we voor hem bidden - dat hij nog ooit wordt opgevist. Amen.