3e zondag door het jaar B

B-cyclus · Tijd door het jaar · 3e zondag · groen

Het verhaal over de profeet Jona is denkelijk bekend. Hij krijgt van Jahwe de opdracht de bewoners van de stad Nineve tot de orde te roepen, de orde van God. Hij moet die stad vol heidenen tot inkeer gaan brengen. Jona blijkt een bekrompen iemand: hij wil God reserveren voor het eigen joodse volk. Hij droomt - zoals sommigen nu ook nog doen - van een kleine groep echte gelovigen; en daarom heeft hij geen boodschap aan die buitenlandse stad Nineve. Bovendien ziet hij enorm op tegen die taak. Hij voelt zich klein en onbekwaam in die grote stad: ze zien me al aankomen - denkt hij. Ze zullen toch niet luisteren. En dus vlucht Jona weg. Hij gaat op de loop voor zijn opdracht.

Dat kennen we allemaal. Iemand is heel erg ziek, een collega, een goede bekende. Je moet er eigenlijk op bezoek. Ze verwachten jou zeker een keer. Maar je ziet er geweldig tegenop. Je weet niet wat je zeggen moet. Hoe zullen ze reageren? En dus zoek je een alibi, een smoesje. Ik zit deze week nog met een logé. Volgende week is een van de kinderen ziek. Mijn eigen moeder gaat voor. Wanneer de drukke dagen maar eens voorbij zijn. Het is ook geen weer geweest. Kortom, een litanie van uitvluchten, smoesjes om niet te hoeven doen waartoe je eigenlijk geroepen bent. Net als Jona gaan we op de loop voor moeilijke dingen.

Totdat er een dag komt waarop je niet anders meer kunt. Dan trek je de stoute schoenen aan, en ga je als Jona daarheen waar je nodig bent. Toen God opnieuw tot hem gesproken had, stond Jona op, ging op weg, trok de stad in, en zei er wat God hem had opgedragen. En de mensen kwamen tot inkeer. Ze werden andere mensen!

Als wij - soms als Jona - alle moed verzamelen om te gaan doen wat mensen van ons verwachten en waartoe God ons roept, als we gaan doen waar we zo lang tegenop hebben gezien, blijkt bijna steeds dat we het al eerder hadden moeten doen. Net als indertijd Jona en de mensen van Nineve worden we er andere, betere mensen van.

In de verhalen over de roeping van de apostelen wordt verteld dat Jezus een aantal vissers vraagt voortaan met Hem in zee te gaan. En in al die verhalen hoor je dat ze niet talmen. Zonder smoesjes en zonder uitstel gaan ze in op zijn appèl. Simon en Andreas laten terstond hun netten in de steek. En even verderop: Onmiddellijk gingen Johannes en Jakobus met Hem mee. Jezus volgen, zijn leerling willen zijn, christen zijn, vraagt op te houden met het maken van allerlei bedenkingen.

Ik zou dat en dat wel willen doen, maar ik heb het al zo druk. En wat nog beter klinkt: Als ik iets doe, wil ik het goed doen, en daarom doe ik het maar niet. Ik zou daar en daar wel iets aan willen geven, maar ik weet niet of het wel goed besteed is, en of het allemaal wel goed terechtkomt. Ik zou wel naar hen toe willen gaan, maar wie zegt me dat het gelegen komt, en het zijn toch jouw ouders. Ik zou wel vaker naar de kerk willen komen, maar ik vind tien uur zo’n moeilijke tijd, en als ze maar meer Latijn zouden zingen, of meer Nederlands zouden zingen. Ik wil dat en dat best doen, maar dan moeten zij eerst. Of: maar de tijd is er niet rijp voor. Smoesjes die ons moeten rechtvaardigen om het goede dat we zouden moeten doen, almaar uit te stellen.

Wat ons met ingang van heden te doen staat, heet in het evangelie vandaag: mensen redden uit een zee van ellende. Jammer genoeg lijken we te veel op Jona, die wegloopt van zijn verantwoordelijkheid, en te weinig op Samuël van vorige week: die zegt: ‘Hier ben ik. Wat valt er te doen?'

Zoeken in Preken Online