Aan de Tigris, de rivier, waaraan Bagdad, de hoofdstad van het huidige Irak ligt, lag 2700 jaar geleden iets noordelijker de stad Ninive, de hoofdstad van het land Assjoer. De grenzen van Assjoer vielen gedeeltelijk samen met de grenzen van Irak nu. Er zijn nog meer overeenkomsten tussen verleden en heden. Want de koning van Assjoer had gezworen dat hij het kleine Israël kapot zou maken. Al had die koning toentertijd geen lange afstandswapens om zijn besluit kracht bij te zetten, toch was de dure eed die de koning gezworen had heel doeltreffend. Want hij heeft tien van de twaalf Joodse stammen uit de geschiedenis laten verdwijnen. Genocide! Het huidige Joodse volk stamt af van de twee stammen die het hebben overleefd. Er bestaat dus vijandschap tussen Israël en dat land aan de Tigris, toen evenzeer als nu. Het is daarom niet verwonderlijk dat Jona geen zin had om te gaan preken in Ninive. God zei tegen Jona: “In Ninive, daar zijn de mensen slecht.” Maar dat hoefde Hij tegen hem niet te vertellen, dat wist Jona wel. Dat vertelden ze alle dagen in de straten van Israel. “Maar”, zei God tegen Jona, “het loopt verkeerd met hen af, daarom wil Ik dat jij naar hen toegaat, om hen dat te zeggen zodat ze zich bekeren van hun slechte levenswandel.” Is het verwonderlijk dat Jona antwoordde: “Aan me nooit niet?” En dat hij het eerste het beste schip nam dat precies de andere kant uitging? Hij zou liever hebben staan juichen wanneer vuur en zwavel uit de hemel neerkwamen op die grote stad Ninive.
Het verhaal van Jona is het verhaal van God. God gaat Jona achterna in een storm op zee; Hij stuurt hem een vis achterna om hem te brengen waar Hij hem wil hebben, in de stad Ninive. Dan moet Jona wel, al is ‘t niet van harte. Hij gaat in die stad rond en zegt: “Bekeert u want de straf van God is nabij.” Tot zijn grote verbazing ziet Jona dan gebeuren dat Ninive zich bekeerd. Terwijl hij buiten cle stad zit af te wachten hoe verschrikkelijk God Ninive zal straffen, moet hij ontdekken dat God de stad spaart. “Moet ik dan beleven dat God niet staat aan de kant van zijn volk”, zo lijkt Jona zich af te vragen?
Van God kan maar een ding gezegd worden. Hij staat aan de kant van mensen, alle mensen tot welke partij of kamp ze ook behoren. God is bekommerd om iedere mens, het leed van elk individu gaat Hem ter harte. Waar de mens ook woont, welke godsdienst hij ook belijdt en hoe slecht hij in het oog van de anderen ook is. God is een God van mensen.
Dat wordt ook duidelijk gemaakt aan de leerlingen die door Jezus geroepen worden. Weggehaald worden ze van het water en van hun vissersnetten om voortaan mensen te gaan vangen. En ze krijgen daarbij niet de opdracht een kerk te stichten of een partij op te richten of een instituut. Dat allemaal niet. De enige opdracht is: mensen te vangen. Dat wil niet zeggen hen in te snoeren en te boeien in voorschriften en wetten, maar hen begeesteren en enthousiast maken en gelukkig. Hen te ‘boeien’ met een ideaal, waardoor ze zelf en voor elkaar gelukkige mensen worden. God is een God van mensen; konden we dat maar beter zien wanneer er berichten zijn over oorlog. God is een God van mensen, als we dat maar in het oog blijven houden wanneer er godsdienstige verenigingen worden opgericht of werken groot gehouden moeten worden. Het enige dat van belang is, is dat het de mens goed gaat, elke mens. Dat is het hartstochtelijke verlangen van God zelf. En Hij vraagt van ons, dat wij helpen om dat verlangen waar te maken. Vissers van mensen te zijn.