29° Zondag B (2009)

B-cyclus · Tijd door het jaar · 29e zondag · groen

Het klopt alleen als het wáár is: als God ís, als Hij bestaat, en als Hij góed is, liefde is, betrouwbaar is. Alleen dán klopt het, dat hele geloofssysteem van ons. Alleen dán klopt de bijbel. En alleen dán valt Jezus te begrijpen en is Hij te volgen op de weg die Hij gaat.

Jezus moet begrepen worden tegen de achtergrond van wat wíj “het Oude Testament” noemen. Heel belangrijk in dit verband, in verband met “het kunnen plaatsen” van Jezus, is de profeet Jesaja. Wij hoorden vandaag bij wijze van eerste lezing een kort stukje uit het bijbelboek dat zijn, dat Jesaja’s naam draagt. Het fragment dat wij hoorden maakt deel uit van het zogenaamde “vierde lied van de dienstknecht des Heren”[1]. “Het heeft de Heer behaagd hem ziek te maken en te breken”, zo hoorden wij. En ook: “Waarlijk, hij heeft zichzelf tot zoenoffer gemaakt.” Het zijn woorden die ons tegen de borst stuiten, zeker in eerste instantie. Wat is dat voor een wrede, masochistische god: een god aan wie het “behaagt” om iemand ziek te maken en te breken? En wie ben je als mens dat je daar aan meewerkt, dat je jezelf zoals dat dan heet “tot zoenoffer maakt”, dat je jezelf opoffert? We kunnen niet ontkennen dat het gebeurt veelgeliefden: mensen, ook wijzelf, moeten de afschuwelijkste dingen meemaken. En God staat het blijkbaar allemaal toe. Die “lijdende dienstknecht” zoals Jesaja die tekent verzet zich er echter niet tegen. Hij, die lijdende dienstknecht, raakt niet verontwaardigd. Voor hem is de ellende die hem overkomt géén reden om in opstand te komen tegen God, om zijn vuist naar de hemel te heffen. Nee, hij laat met zich doen. Hij voegt zich. Hij plooit zich. Hij is lijdzaam. Zoals gezegd, veelgeliefden, dat valt alleen maar te begrijpen als “het” “op een dieper niveau” “klopt”: als “God” “is”, “bestaat” en ten diepste wél goed is en betrouwbaar is en liefde is - ook al snappen we er geen snars van als we naar de oppervlakte kijken van de ellende die mensen ten deel valt. Jesaja getuigt er trouwens van, dat het verhaal niet uít is met het ziek-zijn en gebroken worden: “hij zal zijn nakomelingen mogen zien, en lang blijven leven”. En: “vanwege het doorstane lijden zal hij het licht mogen zien en met kennis verzadigd worden.” Blijkbaar is het dus ergens goed voor, dat lijden: het leidt tot “kennis”, tot “licht” en toekomst: degene die geleden heeft zal “nakomelingen” hebben en nota bene “lang blijven leven”. Het verhaal is met het lijden dus niet uit. Het lijden is niet het laatste.

Die “lijdende dienstknecht des Heren”, van wie Jesaja de contouren heeft getekend, die wordt concreet voor ons in Jezus van Nazareth. Jezus heeft het echt gedáán. Hij heeft het gelééfd. Ik heb de evangelielezing van vandaag een stukje naar voren uitgebreid, omdat daardoor de context waarin de passage van vandaag zich afspeelt nog een stukje duidelijker wordt. Ze zijn op weg (“ze trokken verder op hun weg” staat er) naar Jerzualem. “Jezus ging voor hen uit.” Precies, zo is het. Zo is de verhouding. Hij is verder dan wij. Hij gaat voorop, wij volgen op de weg zoals Hij die baant. “Ze waren ontdaan” zegt vervolgens de Willibrordvertaling van 1995. En De Nieuwe Bijbelvertaling van 2005 vertaalt: “Ze waren ongerust”. En Pieter Oussoren, de vertaler van de Naardense bijbel, hij vertaalt: “Ze zijn vol verbazing geweest.” Ontdaan. Ongerust. Verbazing. Zoiets dus. Zo’n reactie, zo’n gevoel wekte Jezus op in de mensen die Hem volgden naar Jeruzalem. “De mensen die volgden waren bang” schrijven vervolgens alle drie de vertalingen die ik noemde[2]. Nou, veelgeliefden, die angst is ook niet ten onrechte, want, inderdaad, Jezus laat er geen misverstand over bestaan wat Hem te wachten staat: Hij zal overgeleverd worden, ter dood veroordeeld, bespot, bespuugd, gegeseld en ter dood gebrácht. Maar na drie dagen zal Hij opstaan zegt Hij. Je moet maar durven mensen. En: je moet het maar kunnen geloven. Maar dan zijn er zowaar twee, Jakobus en Johannes, die zeggen: Já, wíj geloven het. Wij “gaan” met U voor die “heerlijkheid”. En mogen wij dan rechts en links van U zitten? En wat er voor nodig is om zover te komen, ook daartoe zijn wij bereid. En deze haantjes de voorsten, die dus denken “het wel te kunnen”; ze krijgen van de andere leerlingen op hun kop. En dat vindt Jezus dan weer niet goed, dat zij dat doen: dat ze die twee, Jakobus en Johannes, kapittelen. Gééf een ander niet op zijn of haar kop, maar díen hem of haar. Ja, wees zijn of haar slaaf nota bene. Dát is de beste levenshouding, want die levenshouding is verlossend. Ook ik geef mijn leven “als losgeld voor velen” zegt Jezus.

Menselijkerwijs gesproken, veelgeliefden, is het eigenlijk een super-onaantrekkelijk en inktzwart scenario dat ons hier wordt voorgeschilderd en ter navolging wordt voorgehouden. Heel bewust kiezen om te lijden, het in elk geval zeker niet ontvluchten en uit de weg gaan. Kiezen, durven kiezen, als weg ten leven, voor lijden en ondergang. Je wordt er niet vrolijk van zou je zeggen. Kunnen wij op die weg wel mee? En, kunnen wij in deze tijd anderen nog wel uitnodigen en aanmoedigen om die weg te gaan? Kunnen en willen wij daar nog mee aankomen? Ik denk, veelgeliefden: Het is bijna niet meer te doen. Je kunt dat bijna niet meer verkopen in deze tijd, in het tegenwoordige Nederland bijvoorbeeld. En toch veelgeliefden wordt dat wél van ons gevraagd. Want Jezus is ons op déze weg, en op géén andere, vooruit gegaan. En Hem vertrouw ik veelgeliefden, precies omdát Hij niet kiest voor Zijn eigen succes en Zijn eigen gemak. Hij láát geen villa bouwen in Bulgarije of in Mozambique - wéér een stuk ongerept strand dat door rijke witte mensen in beslag wordt genomen en de arme inheemse mensen voor wie het zogenaamd o zo goed en heilzaam is dat die rijke witte mensen daar pontificaal in hun voortuin neerstrijken, die krijgen een kluif, een lollie en een doekje voor het bloeden. Zíjn weg, Jézus weg, is duidelijk een andere. Hij gáát niet temidden van en uiteindelijk altijd ten kóste van arme en lijdende mensen zitten gloriëren, maar Hij wordt zélf arm. En Hij neemt zélf lijden en dood op zich. Hij gaat náást de mensen staan die getroffen zijn door ziekte en ellende - denk nog maar even aan pater Damiaan, de nieuwe heilige. Híj heeft destijds Jezus goed begrepen. Met inzet van zijn eigen leven is hij op een eiland ver van huis en haard zieke mensen gaan verplegen, heel bewust het risico daarbij nemend om ook zelf besmet te raken en zo is het ook gegaan. Damiaan is ook zelf aan de lepra ten onder gegaan. Zó is de weg van Jezus veelgeliefden. Díe weg is verlossend. Dat er iemand geweest is, voor alle tijden, die níet met een grote boog heenloopt om datgene wat mensen altijd geneigd zijn om zo ver mogelijk uit de weg te gaan: armoede, ziekte, vernedering, lijden, dood. Hij weet en maakt duidelijk: Uiteindelijk kún je het niet uit de weg gaan. En je moet het ook niet willen. Want de weg van de verlossing, van de opstanding, de weg naar het licht, naar God’s heerlijkheid en naar leven zonder einde gaat er dwars doorheen - als je tenminste gelooft of begint te geloven of volhoudt met geloven dat God is, dat Hij bestaat, dat Hij goed is, dat Hij liefde is, dat Hij betrouwbaar is. Jezus geloofde het. Ik wil het in Zijn kielzog ook blijven geloven. Want Jezus is verder dan ik, dan wij. Hij gaat voor ons uit. Amen.

Zoeken in Preken Online