Er is een oud verhaal over twee broers. Ze hadden gehoord dat er een prachtige, fantastisch mooie stad bestond. Als je daar woonde, dan was je volmaakt gelukkig. Volmaakt gelukkig zijn wilden ze allebei maar wat graag en beiden gingen op stap naar die grote mooie stad, ieder langs een andere weg.
De eerste vertrok en stapte rusteloos door. Af en toe vroeg hij onderweg waar die stad lag. Dan antwoordde men: 0, dat is nog heel ver. En dan zette hij zijn tocht voort zonder iets te zien van de mensen en de natuur.
De tweede broer ging ook op stap, maar hij kwam niet ver. Hij bleef staan bij spelende kinderen, genietend van hun spel. Hij vroeg belangstellend aan de mensen die hij tegenkwam hoe ze leefden, wat ze tekort kwamen en wat ze verlangden. Zo nu en dan bleef hij maanden op dezelfde plaats om mensen een helpende hand te bieden.
De eerste broer stierf ergens langs de weg, onbekend en onbemind. Toen echter de tweede broer stierf, liepen de mensen van heinde en verre te hoop, want hij werd betreurd, vereerd en nooit vergeten. En men vertelt dat in zijn stervend oog een prachtige stad glansde.
Beide broers staan symbool voor mensen van alle tijden. Iedereen droomt er wel van dat hij of zij geluk vindt in het leven. We zijn allemaal op weg naar plekken waar we dat geluk denken te vinden, alleen we gaan dikwijls verschillende wegen. Je hebt de carrièremakers, de machtzoekers, de roemjagers, ze stappen met grote stappen door het leven, vooruit, hogerop, steeds meer, steeds groter, steeds machtiger. Soms vertrappen ze medemensen als die hen in de weglopen, vaak lopen ze blindelings langs mensen heen die langs de weg staan en om een helpende hand vragen. Maar daar hebben ze geen tijd voor. Ze moeten verder. Hun leven is meestal haastig, jachtig, onrustig, ze hebben geen tijd om nu en dan even stil te staan.
In onze tijd en in onze maatschappij lijkt alles te gaan om carrière, macht, invloed, bij de upper ten horen. De reclame en veel films onderstrepen dit telkens opnieuw: je moet presteren, uitblinken, voorop staan, daar gaat het om. Ouders duwen hun kinderen soms al deze richting op, als het gaat om sport, om atletiek, om muziek of dans. Alles staat in het teken van de top halen, op het erepodium komen, maar of men hier het ware geluk vindt, is echter de vraag, heel vaak juist het tegendeel. Echt geluk lijkt steeds weer van hen weg te lopen.
Maar er zijn ook nog mensen die zich niets aantrekken van die prestatiezucht. Gelukkig zijn er ook mensen, die juist als die tweede broer uit het verhaaltje, wel oog en aandacht hebben voor medemens, die hun levensgeluk vinden in verbondenheid met anderen, in een huwelijk, in een gezin, in een gemeenschap. Ze halen nooit de eerste prijs, zitten niet op de ereplaatsen, maar ze zijn geliefd in de gemeenschap en dat is de voornaamste bron van geluk.
Als Jezus sprak over het koninkrijk Gods, dan bedoelde ook hij iets als een prachtige stad waarin iedereen gelukkig kan zijn. Maar juist als zovelen in onze tijd snapten zijn leerlingen er ook niets van. Ook zij dachten in termen van macht, van geëerd worden. Dat blijkt ook weer in het evangelie van vandaag. Die twee broers Jacobus en Johannes droomden van ereplaatsen in een aards koninkrijk. Ze dachten dat Jezus dat kwam brengen. Maar Jezus had het helemaal niet over een aards koninkrijk. Bij hem ging het niet over macht en aanzien, maar juist over dienstbaarheid, jezelf ondergeschikt maken aan het geluk van anderen, en zonodig daarvoor moeilijke situaties op de koop toe nemen.
Geluk zit niet in rijkdom, macht, beroemdheid, dat zijn dikwijls juist belemmeringen om gelukkig te worden. Het ware geluk zit in het geven van je aandacht, je hartelijkheid, je liefde, en hoe meer je weet te geven, hoe meer je terug krijgt.
Negenentwintigste zondag door het jaar (2003)
B-cyclus · Tijd door het jaar · 29e zondag · groen