-
Deze dialoog van Jezus met de twee broers Jacobus en Johannes volgt aanstonds op zijn derde en laatste lijdensvoorspelling. Het valt op dat deze voorspellingen telkens aanbotsen tegen het virale onbegrip van zijn leerlingen. Hun niet-verstaan komt steeds terug als een ziekelijk refrein.
-
Na de eerste lijdensvoorspelling reageerde Petrus alsof zoiets niet kon. Hij kreeg van Jezus een opdoffer. Na de tweede voorspelling was het de betwisting wie de grootste was, en Jezus zette een kind in hun midden. Dit keer komen deze twee zonen van Zebedeus vragen of zij in Jezus’ rijk zullen mogen tronen rechts en links van Hem. De troon van God had in de literatuur van het Jodendom een bijzondere religieuze betekenis. Hoe reageert Jezus ? Hoe verloopt dat gesprek ?
- Eerst hebben zij het lef te zeggen: “Meester, wij willen dat U voor ons doet, wat wij U vragen”.
* Dit brengt ons voor het courante smeekgebed van de doorsnee christen, en zijn vertwijfeling als hij bij God dan geen gehoor schijnt te vinden. De Deense denker Kierkegaard zei ooit dat het gebed zijn waarachtige bodem mist, als men niet blijft bidden tot men hoort wat God wil. Wie echt bidt doet niets dan luisteren. Dat beweerden overigens alle grote christelijke bidders. Gewoonlijk roepen wij: “Heer, verhoor ons.” En God zegt: “luister naar Mij”. Daarom zei Jezus dat we moesten bidden in zijn Naam, in zijn visie, in eenklank met de Vader. Smeken vergt de bekering van ons hart. Daarom moeten we in ons hart Gods Geest laten smeken: “Wij weten niet eens hoe wij behoren te bidden. Maar de Geest … spreekt ten beste naar Gods bedoeling” (Rom. 8,26-27).
* En Jezus antwoordde hun: “Gij weet niet wat gij vraagt.” Hun vraag om naast Jezus te zetelen verraadt hun bekrompen opvatting over Jezus’ Rijk en over zijn ware heerlijkheid. Jezus zal als koning tronen op zijn kruis. Zijn glorie begint op het kruis. Zonder het te beseffen en zonder dit zo te bedoelen, vragen ze in feite om de plaats in te nemen van de twee gekruisigde moordenaars rechts en links van Jezus. - Ook wij zijn vaak kortzichtig in onze vragen. We vragen dingen die ons ware geluk niet dienen, of zelfs ons geluk in de weg staan. En dan zegt Hij ook tot ons: “Gij weet niet wat gij vraagt”. God weet wat we nodig hebben. God ziet op lange afstand, dieper en verder. In het onzevader zuivert Jezus onze blik en leert Hij ons bidden in de kijkveld van God.
- En Jezus ging door: “Zijt ge in staat de beker te drinken die Ik drink, en met het doopsel gedoopt te worden, waarmee Ik gedoopt word ?” Jezus gebruikt hier twee bijbelse symbolen: beker en doopsel - De beker stond meestal in verband met bitterheid en leed (Ps. 75,9) - Ook het doopsel had met lijden te maken: “Alle golven zijn over mij heen gekomen” (Ps. 42,9). Jezus vraagt of ze bereid zijn om zijn lijdenskelk te drinken en ondergedompeld te worden in zijn doopsel van bloed. Enthousiast zonder de draagwijdte van hun woorden te vermoeden, antwoorden ze gezwind: ja. En Jezus bevestigt hun ja . Maar anders dan ze denken zullen ze zetelen naast Hem.
* Wanneer Marcus dit schreef, was de marteldood van Jacobus onder Herodes in het jaar 44 al achter de rug. En indien ook Johannes niet werd vermoord, vernemen we uit een traditie dat hij vermoedelijk onder keizer Domitianus verbannen werd naar het strafkamp van het eiland Patmos (nu Patino), wat bevestigd lijkt in het boek Openbaring (1,9). Marcus schreef dit ook, toen de eerste christenen hun sterkte haalden vanuit de doopselgenade en vanuit Heilige Eucharistie. Het was een tijd van martelaren en van gewelddadige heersers. Marcus wilde met dit evangelie zijn gemeenteleden aanmoedigen Jezus’ deelgenoten te zijn in zijn lijden, dood en verrijzenis. In de context van die vreselijke tijd verwijst hij naar Jezus’ uitspraak: “Gij weet dat zij, die als heersers der volkeren gelden, hen met ijzeren vuist regeren en dat de groten misbruik maken van hun macht over hen…” De missionerende Kerk heeft altijd tegenwind gekend. Ook vandaag leeft ze in vele landen in de verdrukking: bloedig en brutaal of listig en geraffineerd, of onbegrepen. De zucht naar politieke macht is niet altijd zo belangloos afgestemd op dienstbaarheid. Regeringsleiders en politici gaan niet zelden over lijken, of kraken weerloos de rechtvaardige. Erg is het als zij zich als christelijke leiders voordoen zonder het te zijn. En deze zijn niet altijd zo ver van ons verwijderd.
* De almacht van de liefde ervaren we in machteloosheid en in onberekende dienstbaarheid. Daarvan was de gekruisigde het model. In de gave van zijn leven bracht Hij verlossing: “Want ook de Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en om zijn leven te geven als losprijs voor velen.” Het woord “losprijs” betekent zijn plaatsvervangend lijden en boeten. Door zijn lijden wil Hij herstellen en genezen in onze plaats. Zo vervult Hij de profetie van de eerste lezing (Jes. 53, 10-11): “Door zijn zwoegen zal mijn rechtvaardige dienaar velen rechtvaardigen.” Hiermee bracht Jezus de aanzet van een nieuwe mensheid. Maar dit gebeurt niet buiten ons om. Niet zonder ons. - Zijn wij bereid om in Jezus’ levensstijl en in zijn offergezindheid te treden ?