Homilie op Missiezondag (Mc. 10, 35-45)
Tielt, 21 oktober 2012
Jacques Gaillot is een Franse bisschop die door zijn vrijmoedig optreden door Rome op een zijspoor werd gezet, maar door zijn Franse collega’s weer is opgenomen in hun kring. Van hem is de uitspraak: “Als de Kerk niet dient, dient ze tot niets.”
Vandaag op Missiezondag vraagt de Kerk wereldwijd dat wij elkaar dienen, elkaar van dienst zijn en anderen laten delen in wat wij hebben.
Dienen is ook de centrale gedachte in de evangelielezing van deze zondag. Daar hadden Zijn leerlingen, net als wij, last mee. Zij streden om de ereplaatsen. Zij wilden carrière maken en superieur zijn. Een heel herkenbaar menselijk spel, zelfs in onze maatschappij, zelfs bij sommige mensen in de Kerk. Niet om fier op te zijn! Jezus wijst hen heel kordaat terecht. “Gij weet, zegt Hij, dat zij die als heersers der volkeren gelden, hen met ijzeren vuist regeren en dat de groten nog altijd misbruik maken van hun macht over hen. Dat mag “bij u niet het geval zijn; wie onder u groot wil worden moet dienaar van u zijn en wie onder u de eerste wil zijn, moet aller slaaf wezen.”
Met dit verhaal in ons hoofd mogen we vandaag, op Missiezondag, kijken naar de Kerk en naar onszelf. In deze gesteltenis moet de Kerk haar missie in de wereld volbrengen. Dus niet een Kerk uit het superieure Westen, die boden stuurde naar mensen die minder wisten. Soms hebben ze met het eigen gelijk in hun Westerse rugzak de wereld willen bekeren. Soms waren ze een aanhangwagen van het kolonialisme, met te weinig respect voor de eigen cultuur van die vreemde volkeren. Soms hebben ze te weinig geluisterd en te veel gepreekt. Dat is jammer en dat was fout. En het is geen schande zijn fouten te bekennen en toe te geven. Maar het is grotendeels voorbij en wij hebben ons geleidelijk aan bekeerd van onze eigendunk, van ons vermeend overwicht.
Maar Ik zal de eerste zijn om te zeggen dat de meeste missionarissen schitterend dienstwerk verricht hebben. We konden dat in de laatste weken zo goed zien in de indrukwekkende T.V.-uitzending “In Godsnaam” van Annemie Struyf. Wat zij gerealiseerd hebben door aan die vreemde volkeren de waarde van de christelijke boodschap te verkondigen en voor te leven, is merkwaardig en verdient alle respect. Waarden als: de vreugde van het vergeven, wat b.v. voor een Afrikaan zo moeilijk is, de zorg voor de armen en ongeletterden die in vele landen uitgebuit werden, de zorg voor de zieken en gehandicapten, de eerbied voor de vrouw die in zoveel culturen ondergewaardeerd en zelfs misbruikt werd, de bevrijding uit de tirannie van het bijgeloof, enz… Allemaal bewonderenswaardig!
In het beste geval heeft de missie ons geloof omgekeerd. Het is een vruchtbare wederzijdse verrijking geworden. Die was er nodig. Wij hebben leren luisteren naar de boodschap die tot ons komt van onderuit, van onderdrukte volkeren in Latijns-Amerika, van de zwarten in Zuid-Afrika, van christenen in zoveel landen die nog altijd vervolgd en uitgebuit worden en toch vasthouden aan hun geloof. Gekruisigd met Christus, lijdend met hen die lijden. Dus zijn de ereplaatsen voor hen. Zij zijn de belangrijkste apostelen, links en rechts van Christus. Zij zijn het ook die de Kerk bekeren. Te lang en te vaak stond de Kerk aan de kant van de machtigen. Te lang ook hebben we gemeend dat het geloof uitsluitend tot ons kon komen van bovenaf, langs hiërarchische kanalen. We mogen en moeten staan naast de machtelozen. Ze zijn onze leermeesters in het geloof. Zij worden onze missionarissen. Zij staan het dichtst bij het kruis, links en rechts. “Wie machteloos wordt met hen, wie met hen het lijden doorstaat, die zal het licht zien en met kennis worden verzadigd”, zegt Jesaja.
Misschien denken we bij missie nog te veel en uitsluitend aan verre vreemde landen. Maar geldt Jezus boodschap uit het evangelie van vandaag niet wereldwijd, dus ook hier en nu, heel dichtbij? Misschien stelt het evangelie ook ons doen en laten onder kritiek. Elk gevoel van superioriteit vanwege mijn rijkdom tegenover de armoede van anderen; mijn gezondheid naast het ziek-zijn van zoveel mensen, mijn man-zijn tegenover het vrouw-zijn van vrouwen, mijn werk tegenover de vele mensen die geen werk vinden…
Ook in ons leven mag het evangelie kuis houden, opdat wij het echte geloof leren van hen die in onze ogen ten onrechte worden gezien als de minsten. Zij wijzen ons op onze plaats. Niet boven, maar naast hen. Zij nodigen ons uit tot hun kruis, dat onze vreugde kan worden. In de brief aan de Filippenzen vat Paulus het heel kernachtig samen: “Jezelf ontledigen, desnoods het bestaan van een slaaf aannemen.” Zulke mensen krijgen van God een ereplaats.
G. Buyse, pastoor-deken em. Tielt