Vrouwelijk en mannelijk schiep God hen (2006)

B-cyclus · Tijd door het jaar · 27e zondag · groen

Weet u wat Eva deed als Adam een nachtje niet thuis was gekomen?
Ze telde zijn ribben.

Tussen mannen en vrouwen is er een zekere rivaliteit. We zien het al bij de schoolgaande jeugd: de jongens tegen de meisjes. Soms uit dit zich in humoristische pesterijen, die af en toe een kern van waarheid bevatten. Soms krijgt dit voor sommigen een onvoorstelbaar ernstige ondertoon. Zo zijn er mensen, of misschien moet ik zeggen: Zo zijn er mannen die in de tekst uit Genesis heel serieus lezen dat God vrouwen hier hun plek wijst: Kijk maar, eerst was er de man en toen pas de vrouw, en dat betekent dus dat de vrouw ondergeschikt is aan de man.
Nu moet ik eerlijk bekennen dat ik het heel verleidelijk vind om hierin mee te gaan, maar dan toch alleen in vertrouwde en intieme kring of op een verjaardagsfeestje en dan wel in de genoemde sfeer van humoristische pesterijen, en in de vaste overtuiging dat wie de bal kaatst, deze ook terug moet verwachten.

Nu het in de liturgie is dat we naar deze eerste lezing luisteren, voel ik me gedwongen te bekennen dat we met even veel recht kunnen zeggen dat de vrouw er het eerst was, want als we heel precies lezen en luisteren, dan blijkt: eerst was er de mens; geen man, geen vrouw; alleen mens, zonder onderscheid.

Zolang er maar één is, kan er ook geen sprake zijn van onderscheid. Zolang er geen man is, kan er ook geen vrouw zijn; zolang er geen vrouw is, kan er ook geen man zijn. Met een ander voorbeeld: als ik de enige mens zou zijn, was ik niet groot en niet klein. Dat word ik pas, zodra er een ander is, met wie ik vergeleken kan worden. Zo kan de enige mens ook niet man of vrouw zijn, maar enkel mens.

Zodra er meer zijn, is het ook wel prettig dat we niet allemaal hetzelfde zijn. Dat zou wel heel saai worden. Door onderlinge verschillen kunnen we elkaar aanvullen, bij elkaar en bij onszelf ontdekken wat onze (relatieve) kwaliteiten en tekorten zijn. Een van die onderscheidingen bij de mens, zodra er meerdere mensen zijn, is het onderscheid tussen vrouw en man.

Ze zijn verschillend, niet (precies) gelijk; wel gelijkwaardig, maar niet gelijk. Beide zijn ze mens, beide evenzeer beeld en gelijkenis van God, maar verschillend. En in hun verschillen kunnen ze elkaar aanvullen.

En als we dan nog eens heel precies lezen en luisteren, dan merken we dus: zodra er meer dan één mens is, wordt als eerste de vrouw genoemd en dan pas de man. Maar door dit te zeggen, bewijs ik maar weer dat wij mensen de onhebbelijkheid hebben om verschillen nogal eens te gebruiken om ons tegen elkaar af te zetten: mannen tegen vrouwen, jong tegen oud, Nederlander tegen buitenlander, blond tegen zwart, christen tegen moslim, en daarmee al gauw te vergeten dat we principieel hetzelfde zijn: mens, en daarnaast of daarbinnen verschillen hebben gekregen die rijkdom betekenen, mooi of nuttig zijn.

Zo moet het zijn, steeds opnieuw: eerst wat ons allemaal verbindt: we zijn allemaal mens. Dan pas wat ons van elkaar onderscheidt: de kleur van ons haar of onze huid, ons geslacht of onze geaardheid. Dit zijn steeds maar minimale afwijkingen in vergelijking met wat overeenkomt. Op grond van DNA weten we tegenwoordig dat het overgrote deel - ik meen iets van 98 % - van al ons erfelijk materiaal bij alle mensen gelijk is. De verschillen - álle verschillen - zitten ’m in die laatste 2 %.

Mensen die principieel gelijkwaardig zijn, mens zijn, kunnen van elkaar en hun onderlinge verschillen genieten, zich aan elkaar toevertrouwen en aan elkaar optrekken. De bedoeling is dat we in vertrouwen en veiligheid opgroeien tot een volwassen kind van God, beeld van God om dan de veilige kring te verlaten en zelfstandig door het leven te gaan. De mens is door God niet bedoeld om alleen te zijn. Geen mens is dan gelukkig. Ik zeg hiermee niet dat iedereen moet trouwen (of dat man en vrouw de enige geslaagde samenlevingsvorm voor de mens is). Ik zeg wel dat we allemaal andere mensen nodig hebben om onze eigen bestemming en ons thuis in het leven te vinden.

De Schrift is heel helder: als je ziet dat twee mensen bij elkaar hun levensbestemming en hun geluk gevonden hebben, dan heb je daar eerbied en respect voor te hebben en dan blijf je daar buiten, hoe leuk jij die ene man of vrouw ook mag vinden, en hoe graag jij haar of hem ook zou willen hébben.

Daar is het verbod op echtbreuk allereerst op gericht, en niet op die mensen die zich met heel hun hebben en houden aan elkaar hebben toevertrouwd, zijn getrouwd en tot pijn en verdriet van henzelf en hun omgeving, misschien zelfs hun kinderen moeten bekennen dat het ze niet is gelukt de idealen te bewaren waarmee ze ooit begonnen, en daarom elkaar loslaten, vaak uit liefde en uit de innerlijke overtuiging dat dit voor iedereen het beste is.
De Schrift spoort ons niet aan om hen nog een trap na te geven in de vorm van een veroordelende nawijzende vinger. Zij hebben - haast zonder uitzondering - hun straf al gehad door hun eigen teleurstelling over wat zij zelf beleven als hun tekortschieten en falen.

Wie dit overkomt mag met recht in de kerkgemeenschap verwachten daar dezelfde liefde te ontmoeten die ook met de mond werd beleden en bezongen toen zij met z&n tweeën het avontuur van hun leven begonnen.

Terug naar het begin, naar wat ons allemaal verbindt, nog vóór iets ons van elkaar onderscheidt. Voor ons allemaal geldt de Schrift, die ons mensen roept tot zinsverband, de Schrift die ons leert dat wij Gods koninkrijk als een kind moeten aannemen, ongeacht of we getrouwd zijn, samenwonen, alleen gaan, weduwe zijn, gescheiden of wees. We zullen zo met elkaar moeten leren omgaan dat we dat koninkrijk naderbij brengen, voor onszelf en elkaar toekomst maken.

En als dat met een grap kan, met een dosis (Amsterdamse) humor: prachtig, zelfs als het een harde grap is, zolang maar altijd duidelijk is dat het met respect en liefde gebeurt.

Zoeken in Preken Online