* Bij Jezus’ eerste lijdensvoorspelling was de sluier over het ware gelaat van de Messias al voor goed opengescheurd (Mc 8,27-35). De resterende helft van het Marcusevangelie is de tocht van Jezus en zijn leerlingen vanuit Galilea naar Jeruzalem waar die voorspelling werkelijkheid gaat worden. Steeds intenser sprak Hij er weer over in een tweede en in een derde lijdensvoorspelling. Tussendoor gaf Hij zijn volgelingen doordringende wenken voor de moeilijke tijd die op komst was (Mc 9,38-48). Die werden actueel en kwamen goed van pas toen Marcus in het hart van het Romeinse heidendom voor de vervolgde minderheidskerk zijn evangelie schreef. Wat zei Jezus ?
1. Hij zei: Wie Gods Geest laat werken, grijpt niet naar eigen macht.
- De leerlingen waren van nature uit, en bewust van eigen uitverkiezing, belust om krachtig op te treden tegen wie voor hen een bedreiging leek. Zo wilden tijdens die tocht Jacobus en Johannes vuur laten neer regenen over de Samaritanen (Lc 9,54) en later zal Petrus bij Jezus’ arrestatie het oor van Malchus met zijn zwaard afhakken (Joh 18,10). Nu protesteert Johannes omdat iemand van buiten de strikte leerlingenkring ook in Jezus’ naam duivelen uitdrijft. Zoiets kwam in de eerste eeuw waarschijnlijk wel meer voor. Toen Paulus actief bezig was in Efese poogden ook Joodse exorcisten in Jezus’ naam demonen uit te drijven (Hand 19,14). Ooit leefde de profeet Amos, een vijgenkweker en een geitenboer. Hij behoorde niet tot een erkende profetengilde en toch heeft God hem geroepen en gezonden (Amos 7,14). Jezus maakt open. Hij laat in zijn antwoord verstaan dat Gods Geest vrij is en zich niet bindt alleen aan een keurgroep: Om het even wie u als christen een beker water geeft, zal ook worden betrokken in Gods liefdeplan. * Vlak voor het Tweede Vaticaans Concilie vroeg iemand aan Mgr L. Cerfaux, lid van de theologische commissie, welke de grote theologische thema’s zouden worden op het Concilie. Hij zei: de relatie tussen degenen die buiten staan en de Kerk. Het Concilie heeft in zijn Dogmatische Constitutie “Lumen Gentium” weinig het officiële lidmaatschap van de Kerk vermeld, maar wel alle betrokkenheid op Christus benadrukt. Dat gaf meteen aan het Concilie een doorslaggevende oecumenische en interreligieuze dimensie. \
- De pretentie van bevoorrechte elite kon men aantreffen bij gezagdragers in een machtskerk. Eens hebben mensen de Kerk verlaten omwille van de machtswellust en het harde onbegrip bij officiële kerkleiders. Het Tweede Vaticaanse Concilie heeft hier opening gemaakt. De Geest kan werken ook bij de basis, zelfs bij hen die in de rand of buiten staan. Mozes zei: “Ik zou willen dat heel het Godsvolk profeteerde en dat de Heer zijn geest op hen legde” (Num 11,29; eerste lezing). “De Geest van de Heer vervult de hele wereld” (Wijsh 1,7; Ps 67,5). * Maar ook het omgekeerde gebeurt. Vandaag de dag komt het voor dat christenen van de basis in naam van een evangelie dat levensnabij zou zijn, zich opstellen als degenen bij wie exclusief de Geest zijn intrek genomen heeft. In openlijk verzet veroordelen ze herders van de Kerk, aan wie de Heer de genade van het verantwoordelijke leiderschap heeft toevertrouwd. Zij maken dezelfde fout in het grijpen naar een macht die niet van hen is, macht die polariseert, verdeeldheid schept, ongeloof en afval verwekt. Aan de moeilijke kerkgemeente van Korinthe schreef Paulus dat er verscheidenheid is van gaven en bedieningen. Maar juist In de harmonieuze samenhang van de diverse charisma’s en functies ontdekken we het werk van dezelfde Geest tot opbouw en welzijn van allen (1 Kor 12,4-11).
2. Jezus zei ook: Bescherm en red van de zonde al wie met geloofsafval bedreigd wordt.
- Jezus kent de ernst van de zonde. Niemand ziet klaarder dan Hij wat het betekent buiten God te staan. Jezus voorziet dat zijn volgelingen het moeilijk zullen krijgen en dat de verleiding zal dreigen af te vallen. Het martelaarschap staat voor de deur. In dat perspectief zegt hij nu op vermanende toon: “Als iemand, om het even wie, een van deze kleinen die geloven, aanleiding tot zonde geeft, zou het voor hem beter zijn met een molensteen om de hals in de zee te worden geworpen”. Het gaat hier niet in de eerste plaats om zedenbederf bij kinderen. Jezus spreekt van de kleinen die geloven. Het gaat om de nog kleine, de broze, kwetsbare en zwakke christenen tegenover wie de volwassen leerlingen door ergernis, lafheid of tekort aan getuigenis medeplichtig zouden worden aan hun geloofsafval. Het is hoe dan ook beter, zegt Jezus, een hand of een voet te worden afgehakt, of een oog te worden uitgerukt, dan voor altijd verloren te gaan. Het gaat hier dus om de moed de marteldood te trotseren. Het gaat om de onverzettelijkheid van Jezus’ volgelingen de zonde radicaal uit het leven te bannen, ook als het moet gaan met het prijsgeven van eigen leven.\
- Jezus heeft helemaal niet beloofd dat Hij zijn volgelingen uit het lijden zou bevrijden, maar wel dat Hij ze door en doorheen het lijden zal verlossen. Hun weg is de navolging van Christus, de “Imitatio Christi”. Het martelaarschap is een genade. Het mag fysisch of geestelijk zijn. Martelaar betekent geloofsgetuige tot in lijden en dood. Ook aan ons wordt die moed gevraagd om in tegenstroom en onder bedreiging te getuigen en te beschermen, te spreken en te handelen. Het is ook onze onvermijdelijke weg naar Pasen: “Christus heeft voor ons geleden als een beeld van ons bestaan, dat wij zover zouden gaan in zijn voetstappen te treden.” (W. Barnard; zie 1 Petr 2.18-25)