Zesentwintigste zondag door het jaar (2003)

B-cyclus · Tijd door het jaar · 26e zondag · groen

Mozes is het zat, hij kan het morrend volk niet meer aan; na het manna, brood, nu willen ze ook nog vlees te eten hebben. Als hij bij God zijn nood klaagt, zegt God tegen hem dat hij van de oudsten van het volk zeventig mannen bijeen moet brengen in de Tent van de Samenkomst, waar de ark van het Verbond staat. God zal een deel van de Geest die op Mozes rust op hen leggen. Mozes moet zeker weten dat zij werkelijk oudsten en leiders van het volk zijn. Zij moeten samen met hem leiding geven, een deel van Mozes’ last op zich nemen. Hij dus maakt een lijst van namen.

Die instelling van zeventig oudsten, die een deel van de Geest opgelegd krijgen, met Mozes - later de Hogepriester - aan het hoofd, is blijven bestaan, het Sanhedrin. Belangrijk is het gegeven dat ook leiderschap inzake voedselvoor­ziening, maatschappelijke zaken, een functie is waarvoor Gods Geest nodig is, dat zij op zijn minst een goddelijke bevestiging is van die taak. Ook in die zaken gaat het om een opdracht, een opdracht om te zorgen, en daaraan gezag te ontlenen.

Nu waren er twee mannen die wel op de lijst stonden maar niet naar de Tent van de Samenkomst waren gekomen. Op hen rustte toch de Geest ofschoon zij niet onder de wolk van ’s Heren Aanwezigheid waren in de tent. Kennelijk is de Geest niet afhankelijk van een officiële gebeurtenis. Hun profeteren als oudsten was kennelijk zo dat men het Woord van de Heer er in herkende. De psalm bidt/zingt immers ook “de Wet van de Heer is volmaakt, een verademing voor de ziel”/“Het Woord des Heren is volmaakt, bron van Leven”. Dat herkent iedereen die op het goede uit is. “Uw dienaar - die op het goede uit is - neemt haar ter harte, hij wordt er rijk voor beloond” en hij vraagt “God, zuiver mij van onbewuste fouten”, want hij wil God leren kennen.

De Geest biedt ruimte door mensen zonder aanstelling net zo goed te inspireren en we kunnen natuurlijk concluderen dat aangestelden er op moet letten dat anderen net zo goed recht van spreken kunnen hebben, als zij maar van De Goede Geest getuigen. Evenwel, het belangrijkste moge zijn dat de Geest waait waar hij wil, overal is en inspireert, herkenbaar. Zo is God.

Vorige week hebben gelezen dat Jezus het heeft over ‘in zijn Naam’ iets doen: “Wie één van zulke kinderen opneemt in mijn Naam …” Johannes haakt daarop in: " … iemand die ons niet volgt drijft uit in uw Naam …". Maar hij, op wie de Geest bij uitstek rust, zegt: “… wie een wonder doet in mijn Naam zal niet zo gauw kwaad van mij spreken …”. Zo iemand is uit op het goede en in die context zegt Jezus: “Wie niet tegen ons is, is voor ons”. Hij geeft ruimte, de ruimte van de Goede Geest.

In Mt (12, 30) lezen we het tegenovergestelde: “Wie niet met Mij is, is tegen Mij …”, zegt Jezus. Maar daar gaat het om de negatieve houding van Farizeeën; ze zijn niet uit op het goede, zij lasteren tegen de Geest. En met zulke lui kan hij niks: “… de lastering tegen de H.Geest zal niet vergeven worden”.

Kennelijk is Jezus’ Naam garant voor de goede wil: “Wie een beker water geeft aan u omdat gij van Christus zijt …”. Een heel eenvoudig gegeven wordt door zijn Naam op niveau gebracht, hemels niveau. Zijn Naam is een kracht, een verheffende Kracht voor iedereen die graag goed wil zijn en goed wil doen. Anderen die in diezelfde Geest zijn, herkennen dat.

Maar als iemand tegen Christus is, tegen de met de Geest gezalfde … Jezus heeft net een paar kinderen omarmd, kinderen die onbevangen kunnen geloven, open staan voor hem, in zijn Geest zijn, die op hem vertrouwen. Als je het ongelukkig waagt een van dezen hier aanstoot te geven … een molensteen om je nek en de zee in. Weg. Afgelopen. Zo hard en zo duidelijk is hij nergens anders. Verschrikkelijk.

Dit geldt niet alleen t.o.v. kinderen maar t.o.v. iedereen die in zijn groei grof wordt belemmerd, de mindere is, machteloos is als een kind. Het is net zo goed een zonde tegen de H.Geest, zijn Geest.

Dan volgen er spreuken: “Als uw oog u ergert … als uw handen u ergeren, … uw voeten …”. Het lijkt wel of er een wanhoopskreet achter ligt: “Alstublieft, dan maar verminkt, maar niet de hel in. Doe er alles voor om dat te vermijden.” God wil immers het heil voor de mensen.

Zou het alleen maar een wanhoopskreet zijn - ‘mensen, let toch op!’ - , een goede raad vooraf, of zou het misschien ook een weg van boete kunnen zijn? Boete voor degene die tegen Zijn Geest lastert? Boete voor degene die een kind heeft beschadigd, vernield? … Boete? God geve het.

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Als jongere ben je nog niet zo beïnvloed door geschipper en ‘ja, maar’s, je wil gewoon eerlijkheid. Desnoods nog ongenuanceerd. Met die eerlijkheid kun je jezelf in de geest van Jezus plaatsen, die op goede wil uit is en ruimte laat voor jou zolang het maar herkenbaar is voor anderen. Je komt toch haast vanzelf bij hem uit.

De Wet van de Heer, bron van leven, verademing voor de ziel die de Geest inademt. Zullen we dat even over ons laten komen?

Zoeken in Preken Online