Je kunt het evangelie van vandaag in twee gedeelten denken: het eerste deel gaat over de lijdensvoorzegging van Jezus, het tweede over het dienen.
Het lijkt wel dat de lijdensvoorzegging de hoofdrol heeft op deze zondag. De eerste lezing gaat ook over het lijden dat ongelovigen de vrome willen aandoen. Die man is alleen maar lastig -want hij vertelt de waarheid!- en als wij hem de duimschroeven aandraaien, blijkt wel of het waar is wat hij zegt. En dan smalen ze dat zijn God hem wel te hulp zal komen.
Als antwoord op die belaging zingt/zegt de psalmist “God, maak mij vrij door Uw Naam”/“God, sta mij bij met Uw Naam”; Want God, Uw Naam is immers: “Ik ben er altijd”. Wij hebben met de psalmist mee gezongen/gebeden en voor velen van ons die in nood zaten of zitten, zal die vurige kreet om hulp wel bekend in de oren klinken “God, luister naar mijn gebed, hoor naar wat ik zeggen wil”/“Luister, o God, naar mijn bede, hoor naar wat mijn mond U zegt”. God, al zeg ik het verkeerd of gebrekkig, U weet toch wat ik bedoel. Wat de psalmist zegt, wat wij zeggen is vanouds, van alle tijden. Geen mens die geen nood kent.
Dan gaan die ongelovigen verder: “Onderwerpen we hem aan een smadelijke proef om met foltering te achterhalen hoe zachtmoedig hij is … Laten we hem veroordelen tot een schandelijke dood; naar eigen zeggen geniet hij immers bijzondere bescherming”. Dat is precies hoe de dood van Jezus zal zijn: uit de wegruiming omdat hij lastig is, tot schande maken als godslasteraar, een uitdaging om zijn God maar eens in actie te laten komen. De spotters bij het kruis. Ze smalen dat God hem wel te hulp zal komen. ‘Hij is immers de Zoon van God! En dan ook weer de psalmist die het gebed van Jezus verwoordt: “God, Abba, vadertje, maak me vrij door Uw Naam”. Uw Naam is immers ‘Ik ben er altijd’. Jezus moet een enorm vertrouwen in zijn Abba hebben gehad om in die situatie nog zo te kunnen bidden. Als wij eigen gebed herkennen in de psalmtekst, herkennen we dan ook niet het gebed van Jezus? Wordt zijn gebed dan ook het onze en het onze het zijne?
Jezus is met zijn leerlingen apart er op uit gegaan omdat hij hun iets bijzonders duidelijk moet maken; “De Mensenzoon wordt overgeleverd … en ze zullen hem doden”. Geen goede toekomst dus; de Messias zou immers met macht en majesteit komen. Dat was wel heel iets anders dan ze dachten; dat vraagt een complete omzetting van hun geloofsvisie. Hoe is dan Gods Naam? Is HijZ er dan niet altijd voor zijn volk? Om aan te geven hoe God er dan wel zal zijn zegt Jezus dat de Mensenzoon na drie dagen weer op zal staan. De leerlingen begrijpen dat niet. Dat iemand overgeleverd en gedood wordt - dat zullen ze wel kunnen begrijpen - dat gebeurde vaker. Hoewel het niet te billijken is voor iemand die alleen maar ‘weldoende rondgaat’ zoals Petrus later verkondigde. Wat ze zeker niet begrijpen is dat iemand na zijn dood weer zal opstaan. Dat is ook niet makkelijk. Wij weten nu waar het om gaat, maar voor hen was dat iets heel vreemds. En dan komt de tragiek: wat voor Jezus zo enorm belangrijk was - daarover durven ze niet te vragen. Zijn leerlingen die hij apart had genomen, op wie hij hoopte, durven niet. Staat Jezus dan niet alleen, eenzaam, niemand die hem begrijpt? ‘God, Abba, Vadertje, draag mij, bewaar mijn leven’.
Dan gaan ze naar huis terug en dan durft Jezus hen wel te bevragen: waarover hebben jullie gebakkeleid? Ze durven weer niks te zeggen, nu schamen ze zich. Dat is typisch Marcus. (Volgens de traditie schrijft hij op wat Petrus predikte. En als iemand weet heeft van kleinmenselijkheid is dat Petrus; hij schaamt zich nog over zijn verloochening.) Marcus schrijft van de kleingelovigen, de gewone mensjes, zoals de leerlingen waren. Toen al. Dan gaat Jezus zitten en roept bij zich de twaalf, m.a.w. hij onderricht hen a.h.w. officieel: het Rijk is een Rijk van dienen. Als je daar de eerste wil zijn moet je dienen. Als je niet dient, ‘ver’dien je niets, je ontvangt niets, je hoort niets. Je blijft op je zelf gericht. Dienen doe je zoals ik: in dienst staan van God, Zijn gezicht laten zien, Zijn erbarmen, Zijn heil, Zijn Naam heiligen: de voeten wassen, zelfs foltering verdragen om het kwaad niet door te geven, zelfs een schanddood verdragen om te laten zien hoever God gaat. Zo dien je maximaal.
Dan doet Jezus iets vreemds: hij neemt een kind en zet het in hun midden. Een kind had toen geen - laten we zeggen- geen recht: het mocht gezien maar niet gehoord worden zoals dat heet. Jezus ziet dat anders; hij zet twaalf grote kerels te kijk met een kind. Misschien schamen ze zich, misschien niet, maar zo dringt het wel tot hen door: het gaat om een puurheid, een onbevangenheid, een godsvertrouwen zoals een kind op zijn ouders vertrouwt.
Dient een kind? Mij lijkt dat je dat niet zomaar kunt zeggen. Het gaat erom hoe volwassenen kunnen zijn. Om dat te laten zien gebruikt Jezus het kind. Je kunt zeggen dat het kind dient doordat het laat zien hoe je tegen God aan kunt kijken. Onbevangen.
Nog een tweede aspect: Een kind was niet in tel. Nu zegt Jezus: “Wie een kind als dit opneemt in mijn Naam …” Wie het niet hoog in zijn bol heeft, wie een niet in tel zijnd iemand, een kleintje, opneemt omdat ik het vraag, omdat ik het ook doe, die neemt mij op en wie mij opneemt, die gaat zelfs terug naar mijn Bron. Een kind opnemen in mijn naam - ik ben immers ook een kind, dat bij de Bron is. Bij de Bron zijn …
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. In een wervelende wereld, vol van drukte, snelheid, feesten, gaaf dit en gauw dat, ligt ook een zich in dienst stellen. Niet slaafs of machteloos maar bewust. Bewust aankijken tegen onrecht en lijden. En dan daarmee iets doen, ieder naar mogelijkheden en keuzen. Het is je gegund dan te ervaren dat je dat in naam van Jezus kunt doen, het zij je gegund dat te be-amen. Dan ga je de Bron raken.
Bij de Bron zijn, “… met mij is de Heer die mij draagt”/“De Heer die mijn leven draagt”. Tot het uiterste toe, ten diepste, want ik wil dienen. Zullen we ons een paar minuten tijd gunnen daarbij te zijn?