Hoe komt de mens met God in contact? Op deze vraag gaf Jezus een verbluffend antwoord. Laten wij ons eens verplaatsen in de situatie van Jezus. Over je eigen dood te moeten spreken is zeker niet gemakkelijk en vraagt wel een bijzondere vriendschapsverhouding. Jezus verwacht niet van zijn apostelen dat zij dat noodlot zullen afwenden. Hij verwacht wel dat zij Hem niet alleen zullen laten. Maar de leerlingen zetten geen stap in die richting. Integendeel, onder elkaar houden ze zich bezig met een oermenselijk thema: wie is de grootste? Dat alles moet Jezus wel pijn gedaan hebben. Hij zal zich wel erg alleen gevoeld hebben. En toch is Jezus niet ontgoocheld. Hij vergeet zijn eigen problemen en gaat nog in op dat al te menselijke probleem: Wie is de grootste?
Het is het probleem van de macht. Niets heeft zoveel onheil over de mensheid gebracht als dat streven naar macht: ruzie, moord, oorlog… Als je in de wereld goed rondkijkt, dan zie je dat heel veel problemen onder de mensen door niets anders veroorzaakt worden dan door strijd om de macht. Ik wil de eerste zijn! Hoeveel wonden slaat deze machtsdrang niet in de harten van de mensen, hoeveel vernedering en lijden doen wij daardoor elkaar niet aan!
Jezus neemt dit probleem heel serieus. Hij heeft er niets tegen dat iemand de grootste, de eerste wil zijn, maar Hij zegt wel heel duidelijk hoe je daartoe moet komen. Als je naar boven wil, begeef je dan naar beneden. Als je nummer één wil zijn, trek je dan terug van de voorgrond. Als je heer en meester wil zijn, doe dan de voorschoot aan. Jezus wil niet zeggen dat je je als voetveeg moet laten gebruiken, dat je je domweg moet laten uitbuiten. Maar Jezus zegt wel heel duidelijk dat het groot-zijn in heel iets anders bestaat dan in het je laten gelden, dan in het boven anderen uitsteken, dan in het erkend willen worden.
Zo kun je iemands grootheid niet meten, zegt Jezus: je bent groot voor zover je je wendt naar het kleine, naar de geringsten, naar hen die niet alles kunnen betalen of terugbetalen.
Jezus weet wel dat in de wereld heel andere maatstaven gelden: daar moet je met je ellebogen kunnen werken, desnoods over de rug van anderen kunnen klimmen. Jezus zelf heeft dat in zijn leven wel ervaren, maar, zegt Hij, dat is niet mijn weg. En als je Mij wilt volgen, kan dat ook niet jouw weg zijn. Wanneer Jezus ziet dat de apostelen van dat alles niets begrijpen, roept Hij een kind dat op de straat speelt: ‘Kijk eens naar dit kind, het is klein, onbeschermd, hulpeloos. Als jullie je niet te groot wanen om voor zo’n kind te zorgen, om zo’n klein kind in je hart op te nemen, dan wil Ik jullie zeggen, wie je dan in werkelijkheid opneemt: Mij en diegene die Mij gezonden heeft'.
Dat kind dient als voorbeeld, het vertegenwoordigt allen die zichzelf niet weten te behelpen, zieke en bejaarde mensen, die in hun eenzaamheid verkommeren als een vergeten plant, verbitterde en verdwaalde mensen, die niemand wil vergeven. En Jezus zegt: Als jullie je niet te groot en te goed vindt om naar één van hen toe te gaan, dan ga je naar Mij. Als je tijd neemt voor één van zulke mensen, dan heb je tijd genomen voor Mij, dan ben je met God zelf in aanraking gekomen.
Hoe kan een mens dus met God in contact komen? Jezus zegt: niet door je terug te trekken in je ivoren torentje, niet door je ogen te sluiten, maar door je hart te openen, door te gaan naar hen die op de grond liggen. Daar vindt je Mij.
Als dat waar is, dan zijn zulke mensen in onze maatschappij geen last meer maar een genade. Als het waar is dat je met God in aanraking komt in de hulpelozen, zwakken, kleinen, dan ben je op je weg naar omlaag, boven gekomen. Dan ben je de eerste als je de laatste wilt zijn. De grootste is hij, die werkelijk niet de grootste wil zijn, maar dienaar van allen.