Van groot tot klein

B-cyclus · Tijd door het jaar · 25e zondag · groen

Het was druk in de taveerne van Kafarnaüm. De volgelingen van de rabbi uit Nazaret zaten bijeen: leerlingenberaad na een vermoeiende en verwarrende dag. Misschien is ‘beraad’ niet het goede woord: men praatte door elkaar heen, redeneerde en droomde tegen elkaar in. Want de verwarring was nog lang niet uit de lucht.

Twee zaten er te discussiëren, zacht maar doordringend. De heilige boeken gloeiden in hun handen, hun hoofd en hun hart. ‘De eerste zal de laatste zijn: hoe moet ik dat verstaan?’, vroeg Tomas. ‘Staat niet geschreven in de psalm: Gij hebt de mens bijna een god gemaakt, en alles aan zijn voeten neergelegd? Hoe moet ik dat dienaarschap van rabbi Jezus daarmee rijmen?’
‘Er staat ook geschreven’, antwoordde Andreas, ‘dat de rechtvaardige dienstknecht omwille van zijn lijden licht zal zien.’ ‘Ik weet het niet’, twijfelde Tomas, ‘zo lijkt het lijden verdacht veel op een gehaaide omweg naar succes. En ik weiger aan te nemen, dat Jezus dat zo bedoeld heeft.’
Daarnaast zat Petrus; zoals gewoonlijk sprak hij wat luider.
‘Mannenbroeders’, zei hij, ‘we hebben Jezus gehoord: we moeten dienaars worden. Als eenvoudige visser heb ik van theologie geen verstand, maar van samenscholing des te meer. Kom, laten we de zaak van het rijk Gods eens goed organiseren. In vriendschap en broederlijke liefde natuurlijk, maar wel graag effectief. Een nederige en dienstvaardige gemeenschap, daar gaat het om. Ik zal daar wel op toezien, ik wil wel een dienaar der dienaren zijn’. Matteüs verklaarde het met Petrus eens te zijn, al had hij een iets andere rolverdeling in gedachten.
‘Onzin’, zei Simon de Zeloot, ‘energieverspilling. We hebben wel iets anders aan ons hoofd. Kijk toch eens uit je doppen. Eerst de Romeinen het land uit, eerst brood en vrijheid, de macht aan het eigen volk. Daarna pas de luxe van Thora, Profeten en gemeenschap. Of durven jullie geen vuile handen te maken?’ Uitdagend keek hij de kring rond. Er waren er verschillenden, hij wist het, die liever nog vandaag dan morgen de wapens zouden opnemen in een rechtvaardige vrijheidsstrijd; die enkel wachtten op een teken van hun meester.
Maar Taddeüs was niet zo strijdlustig. Hij dacht terug aan thuis, waar de rollen tenminste nog duidelijk waren: hijzelf bij het haardvuur, zijn vrouw terzijde, zijn kinderen buiten. ‘Dat alles heb ik prijsgegeven om hem te volgen’, zei hij, ‘wordt er nu echt nóg meer verwacht?’
En Filippus zat weer anders in elkaar. ‘Ik zal lijden’, zei hij voor zich uit, ogen en handen stijf dichtgeknepen. ‘Jazeker, ik zal lijden, ik zal afzien, ik zal de allerlaatste zijn, een kampioen in dienstbaarheid’. En Johannes de Donderzoon zat voor zich uit te staren, droomde van zijn rabbi, had een liedje in zijn kop, was misschien ook wel een beetje verliefd.
Stil in zijn hoekje hoorde en zag Jakob dit alles. ‘Hier klopt iets niet’, voelde hij. Maar hij zei niets en deed niets.

Het mannenrumoer verstomde toen Maria van Magdala opstond en gloeiend van woede en kracht - als een profetes - het woord nam.
‘Ik zie de toekomst voor me’, zei zij. ‘Sneller dan wij denken zal de beweging van onze rabbi een gevestigde, wijd en zijd verspreide religie zijn, geaccepteerd tot in het paleis van de keizer toe. Simon en andere vuurvreters: zullen jullie die luxe aankunnen? De posities van nu zullen verwisseld zijn: waar is dan je plek? Kun je dan nog zien voor wie je vechten moet? En wat jullie betreft, Petrus en Matteüs, met jullie dromen van gemeenschap: pas toch op. Achter jullie zie ik bolwerken oprijzen: Kremlins en Vaticanen, met inquisities en inlichtingendiensten, clubs van oude bange mannen. Macht en eenzaamheid: voor je het weet zit je er middenin.
Andreas en Tomas, jullie vragen en zoeken tenminste. Dat is al heel wat. Maar eens zullen jullie moeten kiezen. Zul je dat kunnen, zonder dat je standpunten zich verharden, zonder dat je zelf hard en onbuigzaam wordt? Laat je gesprek toch niet ontaarden in dogmatiek. En weet dat geen enkel antwoord het eeuwige leven heeft.
Taddeüs, wees gerust. Er worden geen heldendaden verwacht, jijzelf wordt verwacht, als het kan met allen die je lief zijn. En Filippus: zoek niet het lijden op, zoek de lijdenden op, - of anders de dokter.'

Zo sprak zij. De reacties waren nogal verschillend. Sommige mannen gingen nadenken, bij andere overheersten scepsis en boosheid. Johannes, bijna ontwaakt uit zijn liedje, dacht:
‘Wat is ze mooi zo’. Een vernietigende blik werd hem toegeworpen.
Petrus protesteerde: ‘Wie denk je wel dat je bent, Maria van Magdala, met je troonrede, de koningin soms? Hoogmoed komt voor de val, meisje, bedenk dat wel’.
Maria kon niet nalaten even te glimlachen. Maar ze was bloedserieus toen ze zei: ‘Hoogmoed is de zonde der mannen, nederigheid is de zonde der vrouwen. Misschien zul jij pas kunnen opstaan na het lijden en zal ik opstaan in ons lijden.’
Hier had Petrus niet van terug. Maar Matteüs zat wrokkig naar de profetes te kijken, en je kon hem hóren denken: ‘Jou krijgen we nog wel eens het evangelie uitgewerkt'.

De pijnlijke stilte duurde maar even. Stemmen vulden de ruimte. De gesprekken en de verwarring werden hervat, alsof er niets gebeurd was. Het was weer druk, daar in de taveerne van Kafarnaüm.
In die drukte kwam een kind van een jaar of acht naar binnen. Een jongetje dat te dun gekleed ging, met een grote snottebel. Niemand merkte het op. Niemand? Toch wel. Jakobus, in zijn stille hoekje, zag het. En ging ernaartoe met een jas en een zakdoek.

Zoeken in Preken Online