Veruit de meeste ruzies, moordpartijen en oorlogen worden geboren uit de onbeheerste drift om de eerste te zijn. Tegen alle redelijkheid in. Deze wetmatigheid is zo universeel, dat ze speelt overal waar mensen gedwongen zijn met elkaar te leven. Ze speelt zelfs waar mensen voor elkaar hebben gekozen. Niets ontsnapt aan deze primaire bekoring. Zowel mannen als vrouwen willen de eerste zijn. Zowel in de verkiezing als in de uitverkiezing. Om dat te bereiken is de mens nu eens sluw dan eens grof, nu eens diplomatisch dan eens agressief. Als hij maar de ‘numero uno mag zijn.
Is dat niet de ‘gewijde’ geschiedenis van Kaïn en Abel, van Saul en David? Van de oude en de jonge boer Vermeulen in het werk van Stijn Streuvels? Van elk drama en van elke etnische zuivering? Want laten we wel wezen: als iemand de eerste wil zijn, moet de andere en alle anderen de tweede, de derde en de tiende zijn. Dat zit in onze psychologische genen, als dat woord tenminste mag bestaan. Elke baby is de mooiste baby en elk kind is het mooiste kind. Zo ontstaat de keizerbaby en het prinsenkind. Zo wordt elke oorlog in onze wieg geboren.
Tenzij… tenzij het kind luistert naar vader en moeder. Tenzij de mens gehoor geeft aan de stem die hem tot broederschap en zusterschap roept. De mens is niet geroepen om te overheersen maar om zich te bekwamen in partnerschap. Liefst geen keizer maar een bruggenbouwer. Liefst geen koningin maar een middelares. Zonder het luisteren naar de minnende stem van de oudere of de wijze wordt de mens een gevaarlijke verslinder.
Zo mogen wij vandaag Marcus lezen. Ook Jakobus bericht daarover. Jakobus graaft hier zeer diep in onze ziel. Hij stelt de vraag waar ruzies en vechtpartijen vandaan komen? Zijn antwoord is heel formeel: ‘Gij begeert dingen die gij niet kunt krijgen.’ De mens doet domme dingen omdat hij verlangt wat hij niet krijgen kan. En Jakobus voegt eraan toe: ‘Gij hebt niets omdat gij niet bidt.’ Daar heb je het weer. De mens doet gevaarlijk gekke dingen, omdat hij geen gezag verleent aan het gezegde van een ander, van de Andere.
Hetzelfde staat met evenveel woorden bij Marcus. De leerlingen discussiëren over de vraag wie de grootste is. Daarop geeft Jezus een ietwat plechtig antwoord: je zou beter de laatste zijn en dienaar van allen. Ook Jezus wil de keizerbaby op zijn plaats zetten. Die plaats is een plaats in de rij, de plaats die niet ‘voorbehouden’ is. Daarop zette Hij het kind in het midden, niet vooraan.
Daarmee wordt iets gezegd wat anders is dan in ons verhaal. Hier wordt het kind in het midden geplaatst omdat het kwetsbaar is en klein, niet in tel. Bij ons staat het kind vooraan omdat het een prinsje is. Wie aan het spontaan verworpene echter de ereplaats geeft, vecht niet meer om de eerste te zijn. Het zwakste gaat ons dan voor. Het kind zal onze voorganger zijn. Wie dit aanvaardt, staat in Gods buurt. Wie dan nog vecht, staat heel ver van het Rijk Gods. Die is fanatiek bezig met ‘de dingen die ge niet kunt krijgen’. Terwijl het geheim eenvoudig is: je mag het kind niet aanbidden, je mag het kind niet doden, je moet het zijn juiste plaats geven.
Als mensen maar de broederschap leren!