24e zondag door het jaar B

B-cyclus · Tijd door het jaar · 24e zondag · groen

Groot is de ergernis van het evangelie van vandaag. Petrus, die de schapen zal moeten weiden, die de leiding van de Kerk op zich zal moeten nemen, die onstuimig zelf de leiding neemt, die in naam van allen antwoordt, zelfs zonder hen te vragen of zij akkoord gaan, wiens antwoord door Jezus aanvaard wordt, als het goede antwoord, als het antwoord van alle apostelen, wordt onmiddellijk na zijn belijdenis, uiterst streng door Jezus teruggewezen, weggestuurd uit de kring van de Twaalf, aangesproken als de Satan, als het verderf in hun midden: ‘Ga weg, Satan, terug! Want gij laat u leiden door menselijke overwegingen en niet door wat God wil’. Hij identificeert Jezus als ‘de Christus’, ‘de Messias’, ‘de Gezalfde’, de gezondene Gods, die met de kracht van de Geest gezalfd, het volk zal verlossen, in die beslissende tijd, na eeuwen uitzien en verwachten. En zelf wordt hij, met Satan, de verleider, de leugenaar, de grote stichter van verwarring, geïdentificeerd, en buiten de kring van de Twaalf gestoten. Het is het zwaarste woord dat Hij ooit zal horen en het komt van Jezus zelf. Als zijn opvolgers zullen dat woord horen naklinken. Geen mensenkritiek zal ooit dat gewicht hebben. Petrus en al wie na hem in zekere zin Jezus’ ‘stadhouder’ zal zijn, zijn ‘plaatsvervanger op aarde’, zoals een traditionele titel het uitdrukt, zal blijvend moeten rekening houden met de mogelijkheid in Jezus’ ogen voor Satan te kunnen doorgaan. Hij die de schapen moet leiden, kan altijd de grote verleider incarneren.

De ergernis staat in het hart van het evangelie. Zondag na zondag heeft de openbaring zich ontvouwd, heeft Jezus Zich bekendgemaakt, heeft Hij in zijn wonderen en in zijn leer getoond hoe het zou moeten zijn onder de mensen, hoe Hij, met God verbonden, alles herschept, hoe de hemel zich kan openen, hoe de mensen, gevangen in hun kwaad, zich beschermend met hun tradities, uit de schuilkelders van hun bestaan bevrijd, naar buiten kunnen komen, met elkaar in vrede kunnen leven, God zonder wantrouwen kunnen dienen, Hem als hun Vader kunnen liefhebben.

Nu zegt Hij voor het eerst hóé de wereld zal moeten verlost worden, hóé de mensen zullen moeten bevrijd worden. ‘Daarop begon Hij hun te leren dat de Mensenzoon veel zou moeten lijden en door de oudsten, de hogepriesters en de schriftgeleerden verworpen moest worden’. Hij zal hier regelmatig op terugkomen. tot op het einde van het evangelie.

Het moeten zit in beide delen van Jezus’ verhaal. De wereld móét verlost worden. Iedereen, voor- en tegenstander, voelt en weet dat de waarheid aan Jezus’ kant is. Het volk juicht omdat het de waarheid ziet, de leiders worden steeds krampachtiger omdat zij de bevrijding zich zien voltrekken zonder hen, niettegenstaande hun groeiend verzet en uiteindelijk tegen hen in. Ook zij zien dat de verlossing waarheid wordt.

Wanneer Jezus nu ook zegt hóé de wereld moet verlost worden, wanneer het tweede deel van zijn verhaal begint, wanneer het evangelie naar het kruis leidt, na het opgaande verhaal van leer en wonderen, komt de Satan die Jezus in het begin heeft overwonnen via de mensen weer naar voor, verscholen achter de plannen van Jezus’ tegenstanders en verscholen in de woorden van de onbewuste Petrus. Alleen door Jezus wordt hij weer dadelijk ontmaskerd. Hij heeft hem immers reeds overwonnen. Jezus weet dat zijn vijanden zijn dood zullen eisen en de dood is het werk van de Satan vanaf het begin. Hij weet ook dat het verzet van Petrus, tegen het perspectief van het lijden van zijn Heer, door de Satan geïnspireerd is. God heeft aan Petrus geopenbaard dat Jezus de Christus is. De Satan inspireert dezelfde Petrus opdat hij de Christus van zijn opdracht zou afhouden. Jezus, die verder zal doen wat Hij móét doen, zal doorheen onbegrip van vriend en vijand als Messias, uit liefde, de wereld verlossen.

Zoeken in Preken Online