24e zondag door het jaar B

B-cyclus · Tijd door het jaar · 24e zondag · groen

Bijna iedere keer wanneer er een film over Jezus uitkomt, ontstaat er heibel. Een aantal jaren geleden ook weer, in Italië. Maar de rechter oordeelde toen: de film laat Jezus weliswaar heel anders zien dan de kerk leert, maar dat is geen reden om de film te verbieden. Zo werden er ooit ook boeken verboden, kruiswegen uit de kerk gehaald. Soms mochten bepaalde liederen niet worden gezongen, tafelgebeden niet gezegd.

Wanneer mensen tot uitdrukking brengen wie Jezus voor hen is, zijn er al gauw mensen van hogerhand of van onderop die zeggen dat het niet juist is: ‘Zo mag je Jezus niet noemen, niet zien, niet beschrijven, niet schilderen; zo tegen Jezus aankijken mag niet, want dat is niet in overeenstemming met de leer’. Soms gebeurt dat terecht, maar vaak ook ten onrechte.

De eeuwen door tot aan vandaag hebben schrijvers, schilders, dichters, theologen en wetenschappers Jezus getekend met pen of penseel. En allemaal zagen ze Hem anders; en allemaal hadden ze gelijk en ongelijk tegelijkertijd.

In Jezus’ tijd keken de mensen ook al verschillend tegen Hem aan. Sommigen zien in Hem een Johannes de doper, want net als die laatste roept Hij mensen op anders te gaan leven. Denk eens na - zegt Hij voortdurend. Kom tot inkeer, en word nieuwe mensen. Anderen zagen in Hem Elia. Die kenden ze uit hun geschiedenis als iemand die geen blad voor de mond nam, en heel zijn leven opkwam voor gerechtigheid tussen de mensen. Jezus leek hun Elia, die immers zou terugkomen, zo geloofden zij. Anderen zagen in Hem de zoveelste heel belangrijke profeet, iemand die uit naam van God de weg wees naar een betere toekomst, een wereld die Hij het rijk van God noemde.

‘Wie zeggen de mensen dat Ik ben?’, vraagt Jezus. En uit het antwoord blijkt dat ze ook toen al heel verschillend tegen Hem aankeken: Johannes, Elia of een van de profeten. En wij zouden daaraan een lange rij voorstellingen kunnen toevoegen. Maar Jezus ging er niet op in, op wat ze allemaal over Hem zeiden. Veel benieuwder is Hij naar wat ik van hem vind: ‘Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben?’. Wat beteken Ik voor jou?

En dan zit Hij, denk ik, niet op een theologisch antwoord te wachten, noch op een mooi geformuleerde geloofsbelijdenis of een precies geformuleerd dogma. Wie Hij voor ons is, moeten wij niet in de eerste plaats laten horen in mooie woorden, maar laten zien in onze levenshouding.

‘Wat baat het een mens’, zegt Jakobus, ‘te beweren dat hij geloof heeft, als hij geen daden kan laten zien. Stel: iemand heeft geen kleren en niets om te eten, en iemand van u zegt: ‘Geluk ermee; houd u warm, en eet maar goed’, en hij zou niets doen om in de nood van die mens te voorzien, wat heeft dat dan voor zin?’. Dus: geloof dat zich niet in daden uit, is dood. Bewijs me maar eens dat je geloof hebt, als je geen daden kunt laten zien. Petrus belijdt zijn geloof wanneer hij zegt: ‘Gij zijt de Christus, de Messias, de Zoon van God’. Maar wanneer Jezus zegt dat hem een lijdensweg te wachten staat, wil Petrus daar niks van weten. En dan krijgt die goede Petrus geweldig op zijn duvel van Jezus. Hem in mooie woorden belijden, maar de consequenties daarvan niet aanvaarden, is fout. En Jakobus heeft dat blijkbaar heel goed begrepen.

Zoeken in Preken Online