In een oude Joodse schriftverklaring lezen we: ‘Als de mens geboren wordt, heeft hij de handen samengebald, alsof hij wil zeggen: ik verover de hele wereld. Als hij sterft heeft hij de handen uitgestrekt alsof hij wil zeggen: ik behoud niets voor mij zelf, alles behoort U, mijn God'.
Is het niet zo dat tussen deze beide polen van aanpakken en loslaten zich heel ons leven afspeelt? Een klein kind begint al met de wereld te veroveren, niets is voor zijn pakken veilig, geen la, geen tafelkleed, geen deurklink, geen speeltuig. Het is eigen aan de mens de wereld in zijn nabijheid en in de verte te willen veroveren, ook dan nog wanneer hij ouder wordt.
Niet alleen dat ‘pakken’ moet je leren, maar ook het andere, het loslaten. En ook dat begint al heel vroeg. Een kind dat wil leren lopen, moet de hand van moeder loslaten. Evenzo moet de moeder, juist als ze van haar kind houdt, de hand van het kind loslaten, anders wordt het nooit zelfstandig. Dit loslaten duurt ook ons leven lang. Wanneer je een beroep of een levenspartner kiest, moet je veel mogelijkheden loslaten. Veel plannen moet je prijsgeven; de tijd komt dat je de plaats moet ruimen voor jongeren en tenslotte zul je ook je leven moeten loslaten. Rijp en verstandig wordt alleen hij of zij die geleerd heeft los te laten.
Pakken en loslaten, het is moeilijk te zeggen welke van beide houdingen het moeilijkste te leren is. Maar om echt volwassen te worden zou ons leven meer naar de geopende handen moeten groeien en het is goed als wij deze houding van de geopende handen al vóór onze dood geleerd hebben.
Op deze levenservaring haakt het woord van Jezus van winnen en verliezen in. Het gaat erom, zegt Jezus, om in deze twee houdingen van pakken en loslaten een zekere richting en innerlijke bestemming te geven. En deze richting ziet Jezus in het leven ten bate van anderen. Wie het geluk van anderen wil bevorderen, zal altijd weer een stuk van zijn eigen leven moeten opofferen, en hij zal ervaren dat dit loslaten wel veel offers kost, maar dat deze offers, Jezus noemt ze het dagelijks kruis, niet nutteloos zijn, maar hun zin hebben omdat ze leven schenken. Je leven uit liefde tot Jezus verliezen door het dragen van je dagelijks kruis dat is de liefde, die dagelijks in vele kleine muntstukken weggegeven wordt.
Dagelijks je kruis op je nemen betekent niet: bewust iets zoeken wat het leven zwaar maakt. Het betekent alleen dat je alle negatieve dingen van het leven moedig aanvaardt, omdat je weet dat ook die kruisen zinvol kunnen zijn voor anderen. Jezus heeft het lijden ook niet gezocht, Hij hield intens van het leven. Hij had grote belangstelling voor de natuur, voor de mensen, voor alles wat wij liefde noemen. Daarom was er ook zoveel leven rondom Hem. De lijdende mensen van zijn tijd, de bedelaars, de lammen, de blinden, de bezetenen, de zondaars, zij wilden leven van Hem ontvangen. Jezus is hun oproep tot leven niet uit de weg gegaan. De zorg voor de mensen heeft het kruis als gevolg gehad, omdat Jezus daardoor de wetten van de samenleving in de war bracht. Zo werd Hij een bedreiging voor de machtigen. De weg naar het kruis was schijnbaar een nutteloze weg. Maar op Paasdag werd het duidelijk dat zich in deze weg naar de dood, het leven openbaarde, dat in dit sterven Gods zorgende liefde zichtbaar werd.
Als wij Jezus volgen, als wij zorg en liefde hebben voor de mensen in nood, dan zullen wij het er ook bij moeten nemen dat deze mensen hun lasten op ons leggen. Deze navolging van Jezus leer je niet in enkele dagen, het is een opgave voor het hele leven. Maar het is een weg naar het geluk, want de verrezen Heer staat er borg voor, dat wie zijn leven verliest, het zal winnen.