Dromen. Van vroeger of van later. Van de veiligheid van thuis. Of van een baan en eindelijk gerechtigheid. Dagdromen, wegdromen, weg uit de tijd. Maar dromen worden verstoord: door de agenda en de telefoon, door de zoveelste afwijzing bij een sollicitatie, door kleine conflicten of apert onrecht, door oud zeer of een nieuwe partner. De realiteit breekt in en je bestaan is ónveilig. Wat dan? Klamp je je vast aan vroeger? Laat je jezelf maar meedrijven met de stroom? Of wacht je op de volgende droom? Je kunt je geluk uitstellen tot in het vakantiepark en daar de whirlpool induiken. Samen in de baarmoeder, ja gezellig. Je kunt het in de eeuwigheid zoeken. Samen naar het hiernamaals, ja gelovig.
Ooit in de geschiedenis van Israël - om preciezer te zijn: vanaf de ballingschap, die tijd van leegte, zwaarte, angst - zijn droom en realiteitszin samengekomen in de verwachting van een messias. Niet door goddelijk ingrijpen, niet buiten de wereld, maar ergens in een mens op aarde zou er een beslissende keer komen in de geschiedenis. Het heimwee naar gisteren werd omgezet in een verlangen naar de eerstvolgende morgen. Deze Messiaanse verwachting heeft gezorgd voor een enorme dynamiek en spanning: sinds de ballingschap is Israël doorlopend zwanger. De toekomst is er en nog niet; het zit erin en het zál eruit komen.
Wat voor toekomst? Van nieuwe mensen, eindelijk Gods beeld en gelijkenis. Van een wereld - déze wereld - waar gerechtigheid woont. Dat moet toch kunnen. Dat zit erin en moet eruit komen. Een droom, ja, maar dan een die je niet wegvoert maar tot jezelf brengt; die je voelt kloppen en schoppen in eigen lijf, met alle lusten en lasten van dien. De boodschap van de Schriften is een zwangerschapsrelaas, een verhaal van doorgaande menswording.
Maar die zwangerschap duurde en duurde. En het heilzame ongeduld sloeg om in gelatenheid bij de een en voortijdige persdrang bij de ander. Rond het begin van onze jaartelling was het Messiaanse visioen van Israël weer vol geslibd met nos-talgie en onmogelijke eisen. Neem het dat getergde volk eens kwalijk, geterroriseerd als het werd door bezetting, minachting en uitbuiting. Een nieuwe mens? Een koning zoals David in de goede oude tijd. Mensen naar Gods beeld? Een su-perman, een held die de Romeinen verdrijven zou. Een nieuwe aarde? Eindelijk vrijheid. Gerechtigheid? Wraak.
Op zoek naar zijn identiteit vraagt Jezus bevestiging bij zijn vrienden. Wat zeggen ‘de mensen’ van hem? De mensen hebben niets te verliezen en verwachten dus alles. Ze noemen hem: Johannes de Doper, Elia, een van de profeten. Jezus vraagt dóór: wat zeggen jullie zelf? De overijverige Petrus komt met het hoogste en gevaarlijkste woord: ‘jij bent de messias’. Jezus schrikt van die antwoorden, zo lijkt het, vooral van dat laatste. Maar misschien schrikt hij even hard van zijn eigen vraag. Want al vragend moet een eigen beeld, een eigen toekomstperspectief bij hem gedaagd zijn; moet hij in een flits gezien hebben wat hij kon en wat niet, wie hij was en wie niet. Hij protesteert tegen de last die men hem op de schouders wil leggen, tegen al die verwachtingen en claims; alsof hij een andere last vermoedt die hij zal moeten dragen. Eerst temidden van zijn vrienden en dan midden in het volk, zegt hij: weet wat je te wachten staat. Alsof hij zelf weet wat hém te wachten staat: de pijn van een nieuwe doortocht, een tweede geboorte. En hij wijst van zich af: wie met hem meegaat moet zelf door zo’n tunnel heen, mens worden opnieuw, alsnog, messias worden als je dat woord per se gebruiken wil.
Negentien-en-een-halve eeuw later. Christenen en kerken overal. En de naam van Jezus op vele lippen. Hij is allemansbezit, men doet met hem. Gevierde filmster, interessant afstudeerobject, redder van de moraal. Ach, Here Jezus. Zijn toekomstvisioen van een nieuwe aarde met nieuwe verhoudingen is de hemel in gewerkt. Zijn lijden is zalig verklaard, gemystificeerd, goedgepraat en opgelegd. Jodenhaat, broedermoord, vrouwenonderdrukking: in zijn naam. Hij is opnieuw in handen gevallen van de mensen. De hogepriesters en schriftgeleerden hebben hem opnieuw gepakt, opnieuw vermoord. Misschien dachten zij zo hun leven te redden.
Hij is verheven, onbereikbaar geworden, perfect en moedeloos makend. Van een vriendschap vragende vriend werd hij: het antwoord op alle vragen. Hij levert schuldgevoel of vergeving, naargelang het uitkomt. De naam die hij kreeg, Messias, die naam die hij door wilde geven aan allen, is voor eens en voorgoed onder zijn portret gebeiteld in Griekse letters: De Christus. Wij hoeven niet meer opnieuw geboren te worden, hij heeft alles al opgelost. Wij mogen niet eens meer genieten van onze verwachting: onze zwangerschap is onderbroken. O god, hij is god geworden.
En toch. Zie hem staan langs de kant van de weg: wie zeggen jullie dat ik ben? Hoor hem, hij verzoekt ons dringend niet bij hem te blijven hangen.
Door alle stof en verguldsel heen kijkt hij ons aan. Hij probeert in ons het visioen te lezen en te herkennen van menswaardigheid. Hij legt zijn oor te luisteren, hij zoekt in ons de weerklank van de liederen van Jesaja - over een knecht die het duister in moet om licht te ontwaren. Hij wil in ons zichzelf terugvinden, om die weg van gerechtigheid te kunnen gaan ten einde toe. Want mens worden doe je niet enkel bij je geboorte, je doet het gaandeweg vragend naar identiteit en kiezend voor solidariteit.
Zo is hij mij lief. Zo lijkt hij op het kind dat mij de weg vroeg, op het meisje dat vrijheid bevocht, op de jongen die zijn carrière even uitstelde. Iemand tegenover mij, naast mij: lief, hard, sterfelijk, onsterfelijk. Zo is hij mens geworden.