23e zondag door het jaar B

B-cyclus · Tijd door het jaar · 23e zondag · groen

Een dezer dagen ontvingen ruim tachtig mensen, zieke of aan huis gebonden medeparochianen, een bloemetje. Dat verzorgde onze parochiële werkgroep ‘Van harte’ bij gelegenheid van de jaarlijkse nationale Ziekendag. Het is een goed bedoeld teken van meeleven en saamhorigheid. Want gezonden en zieken hebben elkaar nodig, kunnen van elkaar leren en elkaar echt goed doen. In dat elkaar goed doen, laat je pas zien dat je echt gelooft - schrijft Jakobus -, want het geloof zonder werken is een dood geloof, zegt de apostel. Dan is het alleen maar mooipraterij, en daar kopen we niks voor. Iemand heeft geen eten en geen kleren, en jij zegt: ‘Eet er maar eens goed van, en kleed je maar warm’, maar je doet niks. Dan heeft dat niks met echt geloven te maken!

We verdienen dus de naam van gelovige niet als we mensen tegenkomen die volop in de zorgen zitten, en we lopen voorbij aan hun verdriet. Of zieke en hulpbehoevende mensen doen een appèl op ons, en wij zeggen: ‘Kop op, volhouden, we mankeren allemaal wel iets, en ik zal voor je bidden’. Dat lijkt gelovig en vroom, maar het is niks, vindt Jakobus. Tenzij het gepaard gaat met daden van goedheid. De handen vouwen is mooi, maar je moet ze ook uit de mouwen steken.

Zo geloven, bidden én werken, doen wat je belijdt, je geloven laten zien in je levenshouding, kost kruim; dat kan een kruis zijn, leert het evangelie. Petrus had er al moeite mee. Wanneer hem gevraagd wordt wie hij denkt dat Jezus is, belijdt hij zijn geloof in een mooie volzin: ‘Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God’. Maar wanneer hij hoort dat die Jezus nog een heel moeilijke weg zal moeten gaan, protesteert hij hevig. En dan roept Jezus hem tot de orde. Geloven is geen kwestie van mooi met de mond belijden, van vrome en gevouwen handen. Geloven vraagt ook om uitgestoken handen, om de consequenties waartoe het evangelie ons uitdaagt. En dat is inderdaad soms een hele opgave. Geloven kan een troost zijn, maar ook een last, een kruis soms. Maar wie dat aspect niet accepteert, is geen echte christen, zegt Jezus.

Een meisje van amper tien jaar, een kind dus nog, ging een steile berg op. Ze droeg haar kleinere en gehandicapte broertje op haar rug omhoog. Een man kwam haar tegen, zag haar sjouwen, en zei: ‘Kind, wat heb jij een zware last te dragen’. Ze keek hem verwonderd aan en zei: ‘Dat is geen last, meneer. Dat is mijn broertje'.

Ik heb in mijn leven al veel mensen mogen zien die met zo’n zelfde vanzelfsprekendheid hun last, hun kruis droegen, of een ander hielpen het te dragen. Bewonderenswaardige mensen vind ik, bij wie hun geloof duidelijk werd in hun levenshouding. Niet praten maar doen, en dan ook nog zeggen: Dat is geen last, meneer, dat is mijn broer.

Zoeken in Preken Online