Ik hoorde op de t.v. een commentaar op de dood van moeder Theresa. Ze werd geroemd voor haar inzet, met name ook haar ontferming over aids-patiëmten. “Maar”, aldus de commentator, “op andere terreinen was ze ouderwets” ze was een tegenstandster van abortus"! Voor moeder Theresa was er volstrekt geen tweepspalt tussen ouderwets en modern. Ze werd geleid door een compromisloos geloof in de heiligheid van elke mens.
Elk mens is oneindig meer dan je in woorden kunt zeggen. Ieder van U is meer dan alle wetenschappen samen ooit kunnen bevatten. Elk mens heeft het vuur van de hemel in zich, en de kerk is de plek waar we die heiligheid van een mens, elke keer opnieuw, zouden moeten ontdekken. Hier in de kerk moet een sfeer hangen waarin oud en jong zou voelen: wat zijn we toch geweldig mooie en ontroerende wezens…! Kijk eens, al deze mensen: ze hebben iets van de engelen, ze zijn beelden van God. Dat zouden we hier gewaar moeten worden als in een oase van waarheid.\
TUSSEN SCHIMMEN EN KARIKATUREN
Hier zouden we voor een ogenblik de jachtige wereld van ons af moeten schudden, waar de mens er enkel is om mee te manipuleren, om te consumeren, om mee te concurreren. Al te vaak zijn mensen voor ons “Moffen in een Mercedes die steeds links rijden” of “Belgen in een Ferrari - wat zoeken die hier?” Al te vaak zijn mensen voor ons patiënten die zich neurotisch gedragen of depressief. Al te vaak zijn het enkel kletstantes of -omes, voorkruipers, opscheppers, armoedzaaiers of rijke stinkerds. Dat schijnt ons leven met zich mee te brengen, dat we de mens niet meer naar waarde schatten, maar hem enkel zien in een heel beperkte rol en met een heel beperkt karakter. Eigenlijk bewegen we ons in het gewone leven lang niet altijd tussen de mensen, maar temidden van karikaturen die we van hen hebben gemaakt. We zien een verlegen dame aan voor arrogant of een man die onze waardering zoekt voor een uitslover. We reduceren mensen tot schimmen van zichzelf.
De kerk betredend, zou dat moeten veranderen. Hier zouden we, zittend naast elkaar en zingend, en brood delend, hier zouden we iets moeten voelen van die oorspronkelijke eerbied van een mens die een mens ontwaart en in diens blik iets waarneemt van zijn eigen geheim; een broeder ziet, een zuster, een lotgenoot. Alleen in de blik van de ander kan het vermoeden geboren worden dat er een soort oervader of -moeder is, een God die de geheime grond is van ons bestaan.
Jakobus zei het duidelijk in zijn brief. Hij zei: je kunt geen eredienst vieren als hier binnenkomt in de rollen die je in de maatschappij speelt, als partijen of als rijken en armen. Als je zo ook hier binnenkomt, dan zal deze viering je niets opleveren. Hier moet je terugkeren tot je kern, je eigen zijn, je eigen wonder. Hier mogen geen armen en rijken zijn, geen leugenaars en waarheidszoekers, geen achterbaksen en wijzelf-die-niet-zo-zijn.\
WE ZIJN ZO ONEINDIG MEER
Zo’n metamorfose gaat niet vanzelf. Je wandelt met iemand naar de kerk, je buurvrouw, die je al jaren kent op een bepaalde manier van wie je veel weet en heel veel niet, en dan hier in de kerk, de drempel over gaande, zou je haar ineens met andere ogen zien. Dat gaat niet vanzelf. Toch moet het de intentie zijn van eredienst, dat we elkaars heiligheid bevestigen. Hier moet plaats zijn voor het vermoeden dat mensen zoveel meer zijn dan zij zelf vaak weten. Mensen beschouwen zichzelf als een man of een vrouw met of zonder bepaald beroep dat we met ijver uitoefenen of de kantjes er vanaf lopend. Mensen beschouwen zichzelf als ouders van twee gezonde kinderen, als trotse bezitters van een Lada die hen elk jaar naar Spanje rijdt. Maar mensen zijn zoveel meer. We zijn ook die nieuwsgierig bange wezens die naar de sterren kijken en zich niet kunnen voorstellen hoe groot dit heelal is en zich verbazen dat zij nu leven en dat zij er niet niet zijn of een andere keer. We zijn ook de ouders van wie het kind ziek had kunnen worden, en die zich daardoor zouden hebben laten verleiden tot een diep en hartstochtelijk engagement met dat kind, die zijn pijn hadden gevoeld en zijn geluk. We kunnen ook compassie voelen, alsof we zelf die vluchteling zijn uit Iran die van een regeringscommissie te horen krijgt dat hij veilig terug kan terwijl hij weet dat kameraden die eerder zijn teruggekeerd spoorloos zijn en waarschijnlijk weg creperen in een onbekende gevangenis. We kunnen dromen van een wereld die anders is, alsof we die gekend hebben, alsof we er geweest zijn, een paradijs, waar alle mensen recht gedaan wordt, waar geen zieke is zonder hand op zijn voorhoofd gelegd en zonder oprechte aandacht. Dat maakt onze heiligheid uit, dat we zoveel meer zijn en kunnen zijn dan een keurige mevrtouw en meneer in een min of meer keurig pak of pakje. Die overtuiging moeten we hier voeden.\
GRENZELOOS RESPECT
Een van de manieren om die heiligheid van mensen te bevestigen is vroeger natuurlijk ook het opwekkende en bemoedigende woord geweest dat een voorganger durfde te spreken tot een mens die onder schuldgevoel gebukt ging. Maar op het laatst helaas werd niet meer het bevrijdende en het heiligende van de biecht ervaren maar integendeel het beschuldigende en de klein maken ervan. Daarom voelen veel mensen het niet zo, de kerk als een plek die hen heiligt. Maar het is wel de bedoeling. De harmonische ronde rust van een Romaanse kerk maakt een mens heiig omdat ze hem opneemt in stenen die spreken over eeuwen en over volmaaktheid; de dartele ramen en gewelven van een gotisch interieur heiligen de mens omdat ze hem opneemt in een spel van licht. De mooie barokke kerkjes geven een mens een plekje in Gods eigen feestzaal. Dat is de bedoeling altijd geweest van eredienst, al vanaf het eerste begin toen Jakobus zich erover opwond dat de mensen soms niet binnen kwamen zonder eerst van zich af te schudden dat rolletje dat ze in het dagelijks leven speelde. Voor God bent u geweldig en zo eindeloos meer dan u denkt.\
KLANT, GABBER OF WONDER
Lieve kinderen. Als je een ziekenhuis binnenloopt, dan heb je pijn of je komt op bezoek, dan heet je een patiënt. Als je een school bezoekt, dan ben je dom of slim, dan heet je een leerling. Als je de winkel instapt dan ben je rijk of arm, dan heet je een klant. Op het voetbalveld ben je sportief of geblesseerd en dan heet je sporter. In de disco ben je cool of hip en daar heet je gabber of zo. Ga je naar Valkenburg dan heet je toerist. Maar als je een kerk binnen stapt, dan ben je heilig, want hier kijken we niet naar kleding of naar je diploma. Hier kijken we niet naar doelpunten of rapportcijfers. In de kerk is ieder mens een godswonder. En we verbazen ons dat we leven met elkaar. In de kerk heten we kinderen van God.