Waarom hebben wij als kind zoveel keren moeten horen: zwijgen, stilzitten, je bord leegeten? We werden opgevoed met ja en nee, met geboden en verboden. En we begrepen het niet. Totdat we iets anders begrepen: vader en moeder wilden het beste voor ons, ze hielden van ons. Dat is opvoedkunde van alledag. En als we daar later aan terugdenken, dan zeggen we niet meer, dat we met geboden en verboden, met ja en nee werden grootgebracht. Dan zeggen we eerder; ze hebben ons bemind.
In enkele boeken van de bijbel wordt zeer veel gesproken over verordeningen en bepalingen, over voorschriften en verboden. Om te beginnen past het woord ‘wet’ daarin niet goed. Het is gewoon een gebrekkige vertaling eerst in het Grieks, dan in het Latijn en verder in alle Westerse talen. Bij de Joden heette dat Thora. Dat is meer dan wet. Het is project, wegwijzer, vingerwijzing of gewoonweg woord. Je proeft in dat woord iets, je proeft daarin Gods stem, je proeft daarin ook belofte van aankomst en volle leven. Je proeft daarin zelfs iets van uitverkiezing. Hij wil niet dat een mens zich vergist in het leven en verloren loopt. Trouwens, dat staat er bijna altijd naast: degene die u gered heeft, degene die u altijd wil redden, vraagt u. En dan klinkt het al heel anders. Dan kunnen mensen een feest houden voor de Thora, en een aparte ereplaats geven aan dat Woord.
Dan luisteren ze ook van harte. Dat zou wel eens het begin kunnen zijn van het Joodse Credo. Maar dat is nu zeer gebrekkig, zelfs foutief gezegd. Credo is van de christenen: wij belijden onze zekerheden. Joden belijden, dat ze willen horen. Hoor Israël, Ik heb u altijd iets te zeggen, te vragen en te geven. Hoor dan. Daarom gaan ze altijd naar de school, naar de synagoge. Ze zijn en blijven daar altijd mee bezig een levenlang. Zo, luisterend, bouwen zij steen na steen het huis van hun leven. En dat huis is nooit af. Daar zijn ze een leven lang mee bezig. Hun huis is het voornaamste niet. Het voornaamste is het land. Daarom zijn ze bezig met Thora. Totdat ze eens zullen aankomen in het land.
Bij ons klinkt in het Credo iets door van wat wij beloven: in dit geloof wil ik leven en sterven. Bij onze voorvaderen was dat anders: zij geloofden om in het beloven van God te leren geloven. Dat is eventjes anders. Wij spreken over ons geloof als over ons houvast. Bij hen was de Thora niet het houvast: zij hielden zich vast aan de belofte die erin aanwezig was.
Daarom mochten ze er niets aan toevoegen en er ook niets uit weglaten. Zij maakten geen wetten zomaar, zij interpreteerden, zij gaven commentaren om telkens opnieuw te weten waar het op aankomt. Zij discussieerden ook veel. Dat was hun manier om er mee bezig te zijn. Het is alsof ze de spijs die ze kregen steeds herkauwden om te smaken hoe goed ze was.
Hoor dan christen: God heeft altijd nog meer te zeggen dan wat wij op school hebben geleerd. Onze leerschool is pas uit een kwartier na onze dood.