Beste dorpsgenoten,
De eerste lezing komt uit het boek Deuteronomium, het vijfde boek van het Oude Testament. Het wordt toegeschreven aan Mozes, die leefde rond 1250 voor Chr. Maar in werkelijkheid zijn schriftgeleerden aan er aan blijven sleutelen tot een paar eeuwen voor de dood van Chr. Wel bleef het het werk van Mozes heten. Dat gaf het gezag. En met goede reden. Mozes wist dat een volk regels nodig heeft, regels of wetten die een volk even hard nodig heeft als voetballers de witte lijnen op het gras.
Mozes had een intense ervaring meegemaakt. Hij was zijn kudde aan het weiden, toen hij opeens een vuur zag. Hij ging er op af en zag dat het vuur de struik niet verteerde. En hij hoorde een stem die zei: “Mozes, je staat op heilige grond. Doe je sandalen uit.” God gaf hem de opdracht om de joden in Egypte uit hun slavernij te bevrijden. En God vertrouwde zijn naam aan Mozes toe. Deze intense ontmoeting met die God in dat vuur, zette ook het hart van Mozes in vuur en brand. Dat brandend hart heeft hij voorzichtig af laten koelen in de wetten die hij opstelde voor het volk dat hij bevrijdde. Wetgevers na hem zijn eeuwenlang bezig gebleven om die wetten van Mozes steeds meer in te pakken in andere, pietluttige wetten, zodat er van dat brandend hart ten slotte niets meer was terug te vinden.
De evangelielezing die u gehoord heeft, geeft daar voorbeelden van. Jezus die, juist als Mozes, diep gegrepen was door God, begreep dat het ging om wetten en een manier van leven waarin een brandend hart te voelen was. Precies dat miste hij in de voorschriften waar de schriftgeleerden hun mond van vol hadden maar waar ze hun hart niet bij hadden.
In de trant van die schriftgeleerden is het christendom doorgegaan met wetten uit te vaardigen om daarmee vroegere wetten nadruk te geven en toe te dekken, zoals men de ene laag verf over de andere strijkt. Op de duur weet niemand meer wat de oorspronkelijke kleur was.
Zo zijn met een beroep op God en in de naam van God wetten uitgevaardigd, die voortkomen uit menselijke bemoeizucht en machtswellust.
Tot in de vijftiger jaren van de vorige eeuw moest men van af middernacht nuchter zijn om de communie te mogen ontvangen. Het was doodzonde als men, zelfs na het drinken van een glas water, de communie zou ontvangen. Pius XII bepaalde dat vanaf een bepaalde zondag in maart, die wet zou vervallen. Vanaf die datum mocht men eten en drinken tot drie uur voor het communie gaan. Wat eerst zonde was die met eeuwig hellevuur gestraft werd, kon zomaar door een mens worden afgeschaft. Kunt u zich voorstellen dat toen de bodem uit mijn geloof is weggevallen?
Nog steeds is de kerk dichtgespijkerd door omheiningen van geboden en verboden. Van een brandend hart en een vuur is niet veel te bespeuren.
Wie weet wanneer dat vuur weer door al die wetten begint heen te branden en dan zullen we weten: ja, juist als Mozes staan we op heilige grond.
Dat het zo moge worden.