* De rede over het Levende Brood eindigt in een dramatisch crisismoment, waarbij de leerlingen voor hun dringende keuze worden gesteld. De oprispingen tegen Jezus hadden zich opgestapeld:\
- Hoe kan Hij uit de hemel neergedaald zijn ? We kennen toch zijn familie hier op aarde.\
- Hoe kan Hij ons zijn vlees te eten geven ? Zij dachten wellicht aan het slachtvee voor de tempel. \
- Hoe kan Hij ons zijn bloed te drinken geven ? Bloed drinken was door de Wet formeel verboden (Gen. 9,4; Lev. 17,10-14: Dt. 12,16.23; Hand. 15,20).\
- Hoe kan Hij beweren dat Hij zelf de enig zalig makende weg is ?
Vandaar: “Deze taal stuit tegen de borst. Wie is nog in staat naar Hem te luisteren ?” (v. 60)
* Ze hadden feitelijk Jezus’ rede niet begrepen. Ze hadden Hem wel letterlijk verstaan, maar op puur materiële wijze geïnterpreteerd. Net zoals Nicodemus zich had afgevraagd of hij dan in de schoot van zijn moeder moest terugkeren, toen Jezus hem zei dat we opnieuw moeten geboren worden. Net zoals de Samaritaanse eerst dacht dat Jezus over gewoon water sprak, toen Hij het had over het Levende water, deelname aan Gods Leven. Het onbegrip van het volk was constant.
- Jezus had inderdaad wel duidelijk gezegd dat zij zijn vlees moesten eten en zijn bloed moesten drinken. Maar dat had niets met kannibalisme te maken. De uitdrukking “vlees en bloed” betekent het geheel van de broze en zwakke menselijke persoon. Zoals Jezus het tot Petrus zei: “Niet vlees en bloed hebben u dit geopenbaard…” (Mt 16,17), en zoals we het horen bij Paulus, die niet te rade was gegaan bij “vlees en bloed” (Gal.1,16). “Het Woord is vlees geworden” (Joh. 1,14) betekent dat Jezus zelf dit kwetsbare menselijk bestaan heeft ervaren. Daarom reageert Hij:\
- “Neemt gij daar aanstoot aan? En als gij nu de Mensenzoon daarheen ziet opstijgen waar Hij tevoren was ?…” Het woord opstijgen zinspeelt op Jezus’ komende kruisdood en verrijzenis, en verwijst dus meteen naar Jezus’ woorden bij de instelling van de H. Eucharistie: “Dit is mijn lichaam, dat voor u wordt overgeleverd.” (Lc. 22,19; 1 Kor. 11,24) Het gaat om de H. Eucharistie waarin Jezus’ kruismysterie en verheerlijking samen aanwezig zijn. Pas na Pasen wordt dat klaar.\
- En Jezus verduidelijkt verder: “Het is de Geest die levend maakt; het vlees is van geen nut”. Het gaat niet om het stoffelijk lichaam op zichzelf. Zijn lichaam, zijn vlees, is alleen de drager van zijn diepere Persoonlijkheid, het voertuig van zijn Geest. In de H. Eucharistie wordt heel de rijkdom van de gekruisigde en verrezen Christus aangeboden op een wijze die het tastbare in de hoogste mate overstijgt. Het betreft een zeer reëel, maar tegelijk een zeer spiritueel gebeuren.
- Dit alles komt neer op geloof, een dieptekijk in Gods aanbod: “Niemand kan tot Mij komen, als het hem niet door de Vader gegeven is.” (v. 65 ); een gave Gods waarvoor we moeten open staan. Maar niet iedereen staat hiervoor ontvankelijk. En daarop volgt de onvermijdelijke splitsing:\
- Vele van zijn leerlingen trokken zich terug. Het waren dus wel leerlingen (!) die afhaakten: mensen die Hem eerst waren gevolgd, geboeid door zijn woorden en tekenen. Daar gebeurde nu precies wat Jezus later zal zeggen bij de genezing van de blindgeborene: “Tot splitsing ben ik in de wereld gekomen opdat de niet-zienden (die het licht verlangen) zouden zien, en opdat zij die beweren te zien blind zouden worden.” - Deze crisis is de crisis van vandaag. Zoveel redenen vindt men uit om niet de Kerk te moeten volgen, een eigen moraal op te bouwen, niet meer naar de Eucharistie te moeten, de Eucharistie tot een humane, gezellige broodmaaltijd te herleiden zonder diepte… Van Jezus afhaken is afhaken van het Leven. Het is de crisis van onze samenleving met al wat eruit volgt: de teloorgang van het gezonde gezinsleven en de hoogtij van de voorlopige pret die de plaats inneemt van het ware geluk. In een gesloten ik-wereld is er geen plaats voor Gods mysterie. Ooit zei Reninca: “De Eucharistie is de mokerslag op de kop van het rationalisme.” \
- Maar Jezus laat iedereen vrij. Tot de twaalf, die zijn Kerk zouden dragen, zegt Hij dan: “Wilt gij ook soms weggaan?” De boodschap wordt niet opgedrongen, wel aangeboden. En hier horen we het ontroerende antwoord van Petrus: “Heer, naar wie zouden wij gaan ? Uw woorden zijn woorden van eeuwig leven.” In het hart van de crisis komt het jawoord van het geloof en de liefde. Jezus is onvervangbaar. En Petrus voegt eraan toe: “En wij geloven en weten dat Gij de Heilige Gods zijt.” (Joh. 6,68) “De heilige Gods; aan God gewijd”: woorden die gegraveerd stonden op de gouden bloem - teken van leven - die eerst Aäron en later de hogerpriester op zijn voorhoofd droeg in de tempel. (Ex. 28,36; 39,30). Petrus erkent in Jezus de nieuwe en uiteindelijke Hogepriester, de echte Voorganger in de H. Eucharistie. Deze geloofsuitspraak brengt ons meteen bij die andere belijdenis van Petrus: “Gij zijt de Christus, de Zoon van de Levende God.” (Mt. 16,16) en bij deze van Thomas: “Mijn Heer en Mijn God.” (Joh. 20,28): orgelpunt van het Johannesevangelie, woorden die de gelovigen ooit hebben gepreveld bij de opheffing na de consecratie.
* Wij bevinden ons hier op een keerpunt van Jezus’ leven, maar tegelijk bij de kern waarrond het Johannesevangelie cirkelt: Gods Woord is vlees geworden. Juist in die kwetsbare menselijke gestalte hebben we God leren kennen. En dit wonder is ook het wonder van de H. Eucharistie.