Er zijn zo van die preken die de mensen de kerk uitjagen. Zo van die moraliserende preken, met een opgeheven vingertje, betuttelend soms, om mensen te zeggen wat ze moeten doen, wat wél mag en wat niet mag. Of preken die te zwaar, te moeilijk, of integendeel te simplistisch zijn, te kinderlijk. Daarmee kun je de mensen de kerk uitjagen.
Er zijn ook wel eens van die stukken uit de Bijbel waar de mensen van onze tijd geen boodschap aan hebben. Zinnen uit de Bijbel die in onze tijd steevast verkeerd begrepen worden. De tweede lezing van vandaag over de onderdanigheid van de vrouw aan de man is zo’n voorbeeld. Het zal u nauwelijks verwonderen dat deze tekst tegenwoordig door geen enkel bruidspaar meer gekozen wordt voor een huwelijksmis. Vroeger, vóór de liturgiehervorming na het Tweede Vaticaans Concilie, was deze tekst zelfs verplicht. Wanneer we daaraan terugdenken, kunnen we het ons nauwelijks meer voorstellen.
Er zijn zo van die momenten dat ook Jezus de mensen van Zich wegjaagt, van Zich vervreemdt. Ik denk wel eens, als ik een vrome, orthodoxe Joodse rabbijn was geweest ten tijde van Jezus, dan was ik waarschijnlijk ook teleurgesteld weggelopen. Dan had ik het misschien ook niet begrepen.
Wij hebben het ook wel eens. Wanneer we goede vrienden, in wie we op een gegeven moment, om de een of andere reden, teleurgesteld zijn, maar links laten liggen. Of wanneer we weglopen, wanneer het gesprek een richting uitgaat die ons niet zint. Of wanneer we collega’s vermijden, met wie we liever niet meer door één deur gaan.
Zo ging het ook toen Jezus, door zijn onbegrijpelijke discussie, mensen van Zich vervreemdde. En… eerlijk gezegd… Hij maakt het ons ook niet gemakkelijk.
Sinds enkele weken lezen we uit het 6e hoofdstuk van het evangelie van Johannes, de discussie-teksten die gaan over het brood uit de hemel. Teksten die, zoals de vorige week op deze plek al werd opgemerkt, méér vragen dan antwoorden bevatten. En als er al antwoorden gegeven werden, dan waren ze voor de mensen van toen niet écht begrijpelijk, of gewoon onzin, of volledig tegen hun religieus gevoel. Er wordt in het evangelie ook zelden zoveel gemord, gemopperd. Staat daar iemand te verkondigen dat men zijn bloed moet drinken ! Terwijl het bloed, voor een orthodoxe Jood, juist het meest onreine in de levende wezens is, dat men bij het slachten van dieren vooral er volledig uit moet laten lopen. Teksten dus vol van misverstanden. Het is net alsof Jezus expres in onbegrijpelijke beelden spreekt, om vooral maar niet begrepen te worden, en de mensen van Zich weg te jagen.
Of is het hoogmoed? “Ik kom uit de hemel neergedaald”, “Ik ben een goddelijk wezen”. Wie meent Hij Zich wel? We hoorden het enkele weken geleden: Hij is toch maar de zoon van Jozef en Maria, uit Nazareth? “Ik ben het brood uit de hemel…” Zou Hij dus beter zijn dan het manna dat de Heer aan Zijn volk gaf? Kom nou … Wie meent Hij wel dat Hij is?
Vandaag lezen we het slot van dat 6e hoofdstuk van Johannes, en wéér meet Hij Zichzelf een goddelijke status aan, wéér spreekt Hij onbegrijpelijke taal. En dán barst ook de bom; veel leerlingen trekken zich terug en verlaten zijn gezelschap. Ontgoocheld. Ook Jezus is ontgoocheld, en vraagt aan de Twaalf: “Willen jullie misschien óók gaan?” En dan komt Petrus, die goede Petrus, spontaan en eerlijk, met dat prachtige woord: “Heer, Gij hebt woorden van eeuwig leven, naar wie zouden wij anders gaan?”
Wanneer de evangelist Johannes, vele tientallen jaren later, deze tekst in zijn boek opneemt, dan heeft hij daar een bedoeling mee. De kerk viert dan al ruim een halve eeuw de Eucharistie, en het is duidelijk dat voor Johannes de toespraak van Jezus over het levensbrood betrekking heeft op de Eucharistie, en dat hij deze verbindt met de zelfgave van Jezus, met Zijn eenheid met God de Vader. Dit hoofdstuk uit het Johannes-evangelie raakt daarom het meest centrale geheim van het christelijk geloof. Maar wanneer Johannes deze tekst opneemt en uitwerkt, dan is dat óók om een antwoord te geven op de discussies en de twijfels van zijn tijd over het wezen van de Eucharistie, en de werkelijkheid van de totale aanwezigheid van de Heer in brood en wijn.
Johannes gaat de discussie, de vragen, het gemopper, niet uit de weg, hij gaat het crisismoment van toen niet uit de weg, en de ontgoocheling bij veel volgelingen van Jezus, maar hij wil aangeven dat er hier iets wezenlijks gezegd wordt: wie dit brood eet en deze wijn drinkt, eet het lichaam en drinkt het bloed van Jezus, neemt Jezus in Zijn totale en werkelijke tegenwoordigheid in zich op, mag zich ten volle en ten diepste met de Heer verenigen. Begrijpen? Hoeft niet. Het is ook niet te begrijpen, het is ook maar moeilijk te geloven, misschien in het geheel niét te geloven, dat brood en die wijn te ontvangen als lichaam en bloed van Jezus zelf, als de Heer zelf. Het taalgebruik begrijpen? Hoeft niet. Zelfs die harde woorden van “vlees eten” en “bloed drinken” zijn er alleen maar als beelden. Aan ons om door de tekst heen te lezen, om de beelden te vertalen. Jezus zegt het ons vandaag nog Zelf, wanneer Hij spreekt over geest en vlees: niet naar het vlees moet je mijn woorden verstaan, maar naar de geest.
En toch … Dan wordt het tóch een crisismoment. Er moet een keuze gemaakt worden, híér en nú. Immers, niet wanneer Jezus wonderen en tekenen verricht, wanneer Hij mensen wonderbaarlijk geneest, ja, dán loopt iedereen achter Hem aan, maar nú lopen ze allemaal weg, nu, wanneer Jezus spreekt over Zijn tegenwoordigheid in de Eucharistie. En het is inderdaad niet te geloven. En dan wordt de Eucharistie het beslissende crisismoment, het keuzemoment.
De keuze. Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft het leven. Jezus gaat zelfs nog verder, draait het om: wie mijn vlees níét eet en mijn bloed níét drinkt, heeft het leven níét (Jn 6,53). Dat is harde taal.
Mogen wij, op deze laatste zondag waarop de cyclus van het eucharistisch brood uit het Evangelie van Johannes gelezen wordt, doordrongen worden van de onmetelijke, prachtige gaven van brood en wijn, lichaam en bloed, waarlijke aanwezigheid van de Heer Jezus.
Keuzemoment (2006)
B-cyclus · Tijd door het jaar · 21e zondag · groen