Jezus’ uitspraken over ‘het brood des levens’ waren niet alleen eigenaardig, ze waren niet alleen ergerlijk, ze waren onthutsend en volkomen onbegrijpelijk. Het was volkomen normaal dat de Joden morden, dat ze Jezus niet goed wijs vonden, of dat ze zeiden dat Hij van de duivel bezeten was.
Jezus antwoordt niet op hun vragen. Hij zegt niet hoe Hij uit Tiberias verdwenen is en hoe Hij na de broodvermenigvuldiging Kafarnaüm bereikte. De apostelen weten het. Jezus is over het meer gekomen. Ze weten ook dat God heel wonderbaar met Hem is. Hij heeft hen gerustgesteld als Hij over het water kwam: ‘Ik ben het, weest niet bang’. Ze weten dat God zelf daar is waar Jezus is. De menigte weet dat niet. Jezus loochent ook niet dat hij van Nazaret is en dat Jozef en Maria zijn ouders zijn. Hij antwoordt daar niet op. Hij laat ze in hun overtuiging. Het is voor Hem van geen belang. Dat Hij het ‘brood des levens’ zal geven, dàt is voor Hem van belang. Dat Hij het ‘brood des levens’ is! Ja, dat Hij, ‘brood des levens’, uit de hemel neerdaalde! Dát is het wat Hij hen leert. Daarvan wil Hij hen overtuigen. Eigenaardig en ergerlijk: Hij is meer dan Mozes die het manna gaf. En Hij is dat manna zelf, het voedsel voor eeuwig, niet alleen door zijn woord, maar Hijzelf is het manna: Hij wil hen zichzelf als voedsel geven. Zijn Vlees moeten ze eten en zijn Bloed moeten ze drinken. Ergerlijk en onthutsend. En Hij beweert dat wat Hij zegt Gods eigen leer is. Hij houdt hen hun profeten voor ogen: Jesaja en Jeremia, hun grootste twee profeten, hadden eeuwen geleden voorspeld dat Jahwe, hun God, elk van hen zou onderrichten. Jezus beweert dat dat nu aan het gebeuren is, terwijl zij luisteren naar zijn woord, dat zijn onderricht dat beloofde onderricht van God is: ‘Allen zullen door God onderricht worden Meer nog, Hij beweert dat Hij God gezien heeft, dat God op heel bijzondere wijze zijn vader is, dat Hij ‘uit God’ is en dat het God is die hen aantrekt om zijn eigenaardige, ergerlijke, onthutsende leer te geloven. ‘Zoals Ik door de Vader die leeft gezonden ben en leef door de Vader, zo zal ook hij die Mij eet leven door Mij’. ‘Niemand kan tot Mij komen als de Vader die Mij zond hem niet trekt’.
Jezus kent de kracht van zijn provocatie. Juist daarom gaat Hij tot het uiterste. De Joden móéten beslissen. ‘Mort toch niet onder elkaar. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wie gelooft heeft eeuwig leven’. Hij trekt Zich niet terug. Hij daagt hen uit totdat ze beslissen. Want dat ’eeuwig leven’ waarvan Hij spreekt is de deelname aan zijn eigen leven en dat eigen leven van Jezus is het leven van de Vader, het leven van God zelf.
Groots en nieuw is deze openbaring en beslissend voor elke mens. Want God heeft zijn Zoon in de wereld gezonden om zijn schoonste gave van liefde mogelijk te maken: zijn zelfgave aan allen die in Jezus geloven. Bij deze openbaring kán Jezus zich niet terugtrekken. In deze openbaring ligt heel Gods liefdekracht samengebald, die Hij door de eeuwen steeds opnieuw aan zijn volk heeft gemanifesteerd. ‘Wie mijn Vlees eet en mijn Bloed drinkt blijft in Mij en Ik in hem’. Jezus blijft in hen die geloven en die de zijnen worden. En wie zo de zijnen worden, blijven door hun geloof in de Vader en de Vader blijft in hen. Zover gaat de openbaring van Jezus, zover gaat zijn zelfopenbaring, zover gaat zijn openbaring van de Vader, zover gaat zijn openbaring van de mensen aan henzelf.
Het is morren of geloven. Ondertussen licht Jezus reeds de sluier op van de manier waarop dat alles zal mogelijk zijn. Wie gelooft zal Hij ‘doen opstaan op de laatste dag’. Hij geeft niet alleen het manna, het brood, Hij is het: Hij is het in vlees en bloed. Zijn verrezen Vlees en Bloed zal het nieuwe manna zijn van het nieuw bestaan.