In de beroemde musical Anateuka vraagt hoofdrolspeler Tevje aan zijn vrouw: ‘Houd je van me?’. En zij antwoordt: ‘Stel toch niet van zulke domme vragen. Al vijfentwintig jaar deel ik met jou lief en leed. Ik trok al die jaren met je mee, en droeg zorg voor jou en onze kinderen. Kijk wat ik deed en doe. Dat is mijn antwoord'.
Inderdaad, het leven zelf geeft antwoord op die vraag. Maar toch, helemaal ongelijk heeft Tevje niet met zijn vraag. Liefde moet zo nu en dan ook worden uitgesproken, want mensen die dat niet meer doen, vervreemden van elkaar.
En wat voor de liefde geldt, geldt ook voor het geloof. Wie werkelijk gelooft, zal dat uiteraard in daden tot uitdrukking brengen. iemands doen en laten is de toetssteen van zijn geloofshouding. Maar toch, geloof moet ook op zijn tijd worden uitgezegd, worden beleden, worden gevierd. En omdat de mens een sociaal wezen is, zal dat op geregelde tijden ook gezamenlijk moeten gebeuren. Waar het geloof niet meer ter sprake wordt gebracht, waar geen liturgie meer wordt gevierd, valt de gemeenschap uit elkaar, en zal de christelijke overtuiging vervagen tot een onduidelijke godsdienstigheid ergens aan de rand van het leven. En in het ergste geval wordt ze vervangen door een platvloers en oppervlakkig materialisme.
Nogal wat gedoopten zijn in die fase aangeland of dreigen daarin verzeild te raken. Ze doen zich tegoed aan het materiële. Ze voeden zich met het verkeerde voedsel. Sommigen zijn overvoerd met de verkeerde levenswijsheden. De zogenaamde levens-waarden die de jeugd bijvoorbeeld door sommige omroepen worden aangereikt, gaan erin als koek, maar stillen de echte honger niet. Ze zijn geen antwoord op de vraag waar echt geluk te vinden is.
De keizers van Rome hielden het volk indertijd ook al stil met brood en spelen; een volle maag en op z’n tijd een verzetje hielden het volk rustig. En zo is het eigenlijk nog steeds. Tegen mensen die tevreden zijn met brood en spelen, die zich alleen bekommeren om hun eigen natje en droogje, een mooie wagen, verre reizen, geld en aanzien, tegen al die mensen, wie het schijnbaar goed gaat, maar die geen aandacht besteden aan de eigenlijke levensvragen, en zich niet echt verdiepen en bezinnen, zegt Jezus: ‘Ik ben het brood des levens. Wie Mij eet, wie zich voedt met het brood dat Ik geef, en het woord dat Ik spreek, die heeft echte toekomst, eeuwig leven. Al het andere is oppervlakkig en kortstondig'.
Tegen allen die alleen maar lekkere honger hebben, die alleen horen wat ze willen horen, en die zich voeden met oppervlakkigheid, tegen hen - ook tegen ons - zegt Hij: ‘Ik ben het ware brood, het echte brood des levens’. De eucharistie wil ons daaraan blijven herinneren in een tijd waarin we gevoed, vaak overvoerd worden door allerlei waardeloze kost: ‘Ik ben het ware brood, brood des levens, eeuwig leven'.