Geloven is een werkwoord

B-cyclus · Tijd door het jaar · 18e zondag · groen

Wat verlangt God van ons? Die vraag ligt voor de hand. En het antwoord lijkt, zeker in het christelijk geloof, ook voor de hand te liggen: God vraagt dat wij zijn geboden zouden onderhouden. Alle geboden liggen vervat in dat ene gebod: bemin uw naaste als uzelf. Nu hebben wij het met dat woordje ‘geboden’ wel wat moeilijk. We spreken liever over ‘christelijke waarden’. Ook dan ligt het antwoord in dezelfde lijn: God vraagt dat wij onze vrijheid goed zouden gebruiken op alle terreinen van het bestaan en heel ons handelen zouden af stemmen op het welzijn van de naaste. Toch is de opwerping nooit ver weg: moet je christen zijn om eerbied en respect op te brengen voor de naaste, om op te komen voor gerechtigheid en vrede? Neen toch, dat zijn algemeen menselijke houdingen. Ze gelden evenzeer voor niet-christenen.

Jezus heeft de naastenliefde in het centrum van de moraal gesteld. Toch is daarmee niet alles gezegd. De mensen vragen Hem: ‘Wat moeten we doen als we de werken willen verrichten die God van ons vraagt?’ Hij antwoordt niet met het gebod van de naastenliefde. Wel zegt Hij: ‘Dit werk vraagt God van u: dat u van harte gelooft in Hem die Hij gezonden heeft.’ Dat antwoord lijkt naast de kwestie. Spontaan vatten wij geloven niet op als een werk, maar als een overtuiging, als een levens¬beschouwelijke opinie. Jezus noemt het een werk. Logisch gevolg: geloven is een ‘werk-woord’. Dat vraagt wel wat toelichting.

In de evangeliën wordt geloven altijd in verband gebracht met bekering. Geloven is actief en bewust antwoorden op de oproep die Jezus Christus tot ons richt. Dat begint bij de doop (bij de kinderdoop geven anderen dat antwoord in de plaats van de dopeling). Door te geloven gaan we in op de liefdesrelatie die God ons aanreikt. Die relatie moet uitgebouwd, gevoed en verstevigd worden. Vandaag kun je overal horen dat we aan onze relaties moeten werken. In de geloofsrelatie is dat ook zo. Gaandeweg moet ze heel onze persoonlijkheid doordringen en richten op God.

Dat is meer dan werk maken van de naastenliefde. Het vraagt een actieve gerichtheid op God. Waar is Hij te vinden? Hoe ontdek ik in mijn leven sporen van zijn aanwezigheid? Het werk van het geloof vereist dat wij tijd nemen om naar Hem te luisteren en tot Hem te spreken. Jezus spreekt over dat werk in de context van de broodvermenigvuldiging. Hij zegt van zichzelf dat Hij het levende brood is. Wie van dat brood eet, zal geen honger meer hebben. Geloven in Jezus Christus is dus veel meer dan een overtuiging. Het is zelfs meer dan een puur geestelijke activiteit. Ons lichaam wordt er ook in betrokken. We hebben Hem zo nodig als brood. Daarom geeft Hij zichzelf te eten en te drinken. Dat eten en drinken maakt mede deel uit van het werk dat God van ons vraagt. Christenen hebben dan ook vanouds de maaltijd gehouden tot gedachtenis aan Jezus de Heer. Zo sticht en voedt Hij de gemeenschap waarvan Hij het hoofd is.

Zoeken in Preken Online