Homilie op de 18e zondag door het jaar B: “Egypte ruilen voor de woestijn” (Ex. 16, 2-4.12-15)
Tielt, 5 augustus 2012
In de eerste lezing hebben we gehoord dat de Israëlieten in de woestijn aan het morren slaan tegen hun leiders Mozes en Aäron. Het eentonige woestijnleven staat hen tegen. Ze hadden zich de uittocht uit Egypte anders voorgesteld. Hun hart wordt woestijndroog. Hun hoofd verzandt in troosteloos heimwee: “Waren we maar in Egypte gestorven, waar we bij de vleespotten zaten en volop brood konden eten!”
Zo morren ook de mensen in onze maatschappij. De welvaartsmens is meestal een morrende mens en de schare der malcontenten groeit blijkbaar nog elke dag. Ze klagen, niet omdat ze het slecht hebben. Integendeel! Ze koesteren zich knusjes bij de vleespotten. Ze hebben voldoende eten, te veel zelfs: sommigen delven langzaam hun graf met hun vork. Ze drinken goed; sommigen meer dan genoeg. Ze zijn goed gekleed en de meeste mensen wonen comfortabel. Ze hebben een auto, velen zelfs 2 of 3, wat geen luxe meer is, maar een gemak, enz…
En toch zit het klagen hen in het bloed: over de macht van de patroons, van de vakbondsleiders, van de kerkleiders, over de hoge belastingen, de verminderde koopkracht, enz… Wat toch niet belet dat, van zodra de zomerse maanden aanbreken, een paar miljoen Belgen opeens de koopkracht vinden om op reis of op vakantie te gaan in ik weet niet welk continent. Hoe groter de weelde, hoe groter de neiging om zelfs het beste niet meer te waarderen. Een man die na een hete tocht door de woestijn stikt van de dorst, voelt zich 100 maal gelukkiger om een beker fris water dan de gezeten burger die, in afwachting van zijn gastronomisch diner, zit te nippen aan zijn glas champagne.
Echt genot onderstelt altijd een zekere schaarste. Als er ooit iemand geweest is die alles in zijn bereik had wat hij maar wensen kon, dan was dat wel de Franse koning Lodewijk XV: een enorm paleis, prachtige tuinen, een schitterende hofhouding, een rijke tafel en, - wat minder loffelijk was, - een hele collectie maîtresses. Maar hij verveelde zich dood. Toen hij koning werd, werd hij verwelkomd als Lous le Bien-Aimé, Lodewijk de Geliefde. Nu noemde men hem “Louis l’ Inamusable”: de man zonder levensvreugde.
De eerste lezing van dit weekend geeft ons een brok levenswijsheid. Israël moest weg uit Egypte, weg van de vleespotten. Het moest door de woestijn. Alleen zo kon het Gods volk worden. Er is geen ervaring van de ware God, zonder een minimum aan woestijnervaring. Hoe paradoxaal het ook klinkt, de woestijn is de teelaarde voor het geloof. Ze rukt je los uit je zelfvoldaanheid en uit je vanzelfsprekendheden, die meestal hoegenaamd niet vanzelfsprekend zijn. Maar dat vraagt inspanning. De Israëlieten hadden er last mee. Ze moesten de vleespotten van Egypte achterlaten en ze ruilen voor de verschroeiende hitte, de zandstormen, de gevaren en de ontberingen van de woestijn. Geen wonder dat ze morden tegen Mozes en Aäron!
Als mensen op onze dagen tot echt geloof willen komen, moeten ook zij, net als de Israëlieten, hun veilig Egypte met de vleespotten verlaten en de woestijn in trekken om los te komen uit hun zelfgenoegzaamheid. Mensen, zeker in een welvaartsmaatschappij, hebben daar last mee. Geen wonder dat ze, als de Joden in de woestijn, graag morren, dat ze de Kerk die dat zegt, graag onder vuur nemen en tot voorwerp maken van hun kritiek, meestal goedkoop en zelfs banaal.
Dat verblijf in de woestijn is nochtans bijzonder leerrijk. Ik heb jaren geleden het geluk gehad een paar weken door de Afrikaanse woestijn te trekken: een bijzonder lastige, maar onvergetelijke ervaring! Daar, bevrijd van de vleespotten en van de vele stoorzenders in onze welvaartsmaatschappij, daar ga je nadenken over jezelf: over je manier van leven, over je ingesleten gewoonten, over je dagelijkse routine die afstompt, over je dooddoeners waaraan je zelf en de mensen in je omgeving inderdaad doodgaan. Daar vind je weer je hart en je ziel. Daar ga je weer luisteren naar God. Want de woestijn is de plaats bij uitstek van de ontmoeting met God.
Voor die woestijnontmoeting, die de Kerk ons moet bieden, voor dat loskomen uit onze zelfgenoegzaamheid, volstaat het niet een paar korte uitstapjes te maken in die woestijn. Die woestijnervaring kun je maar opdoen als je er lang doorheen trekt: 40 jaar, ja zelfs een leven lang. Het is een tocht die heel wat inspanningen vergt. Je moet een andere levenswijze aannemen. Je gaat er vaak honger en dorst lijden, want de vleespotten moet je achterlaten. Maar je vindt dan smaak in dat hemelse manna dat je gratis krijgt uit Gods hand: Zijn boodschap van geluk en zinvol leven, het gebed en de sacramenten als voedsel voor onderweg en het gezelschap van zoveel lieve tochtgenoten
Dan ga je de blijdschap smaken van het Beloofde Land van vreugde en geluk voor iedereen, waar geen plaats meer is voor een koning als Lodewijk XV, Louis l’ Inamusable, de man die alles had maar niet meer wist wat levensvreugde is.
Gab. Buyse, pastoor-deken em. Tielt
Homilie op de 19e zondag B: “Als Elia (het) moe is!” (1 Kon. 19, 4-8)
Tielt, 12 augustus 2012
Vandaag zou ik iets willen zeggen over die fameuze profeet Elia, die het op een bepaald moment niet meer zag zitten. Zijn naam betekent “Jahweh is God” en zijn hele leven had hij afgestemd op die Jahweh. Alle andere goden waren voor hem maaksels van mensen en op hen bouwen is bouwen op niets.
Als profeet trad hij op in het Noordrijk, waar Achab koning was. Maar die Achab zat onder de knoet van zijn vrouw Izebel, de koningsdochter uit Tyrus. Onder de sterke druk van zijn vrouw voerde Achab de verering in van de Fenicische god Baäl, waartegen Elia reageerde. Met succes! Daardoor haalde de profeet de woede op zich van de koning die hem met de dood bedreigde.
Daarom vluchtte Elia de woestijn in, waar hij zich na een dag lopen neerzette bij een bremstruik. De bremstruik is in de Bijbel, in tegenstelling tot de wijnstok, symbool van dood en eenzaamheid. Zitten onder de wijnstok is teken van leven en vruchtbaarheid. Wie onder de bremstruik zit, ziet het niet meer zitten, geeft het op, kan niet meer. Moedeloos en teleurgesteld, omdat het allemaal toch niets uithaalde, zat Elia onder de bremstruik.
Wat Elia overkwam, was pure depressie. Ook de sterkste persoonlijkheden kunnen een depressie kennen. Jeremia heeft het meegemaakt, ook Job en Paulus. Het gebeurde zelfs met Jezus, die in de hof van Olijven water en bloed zweette. Zelfs de meeste grote heiligen hebben momenten van depressie gekend. Elia is dus geen uitzondering.
Wat Elia voelde, gelijkt sterk op wat heden ten dage wordt bedoeld met burn-out. Dat is uitgeblust en opgebruikt zijn. Erger nog dan burn-out is de geestelijke uitputting en vermoeidheid. Zulke mensen lopen het gevaar het op te geven. Zij lijden aan metaalmoeheid. De draagkracht is immers beperkt. Op vrachtwagens hangt een klever die het laadvermogen aangeeft. Mensen hebben dergelijke klever niet. Maar ook hun laadvermogen is beperkt. Er bestaan geen tellers en meters voor onze emoties.
Mensen met burn-outverschijnsels, zo zijn er vele op onze dagen. Je vindt ze bij de priesters en pastorale werkers. Ze werken hard, proberen van alles. Maar het slaat niet aan, het haalt niets uit. De jeugd, zo stellen ze vast, gaat haar eigen weg en aanvaardt geen normen meer. Ze trouwen zelfs niet meer, noch in de kerk, noch voor de wet. En zoveel huwelijken lopen spaak, zelfs bij mensen die 20 of 25 jaar getrouwd zijn. Egoïsme is troef in onze maatschappij. Er zijn geen roepingen meer. Kerken lopen leeg. Het lijkt wel alsof ze de laatste der Mohikanen zijn. En moedeloos en uitgeput zitten ze te zuchten, net als Elia, onder de bremstruik.
Uitgebluste mensen, je vindt ze bij de ouders die vaststellen dat ze de normen en waarden die voor hen heilig zijn, niet kunnen doorgeven aan hun kinderen; bij de leerkrachten in de scholen, die gebukt gaan onder het gebrek van visie in het onderwijs en onder het gezaag van sommige ouders; bij de middenstanders en de boeren die hard werken maar verdrinken in de administratieve rompslomp; bij de artsen die klagen dat ze meer met papieren moeten bezig zijn dan met patiënten.
We zitten allemaal wel eens uitgeput onder de bremstruik, indien we dat woord toepassen op het landschap van onze ziel. Een sterfgeval, een uitzichtloze ziekte, een conflict met mensen die ons dierbaar zijn, een jeugdrelatie die na jaren stukloopt, een geloofscrisis, enz… kunnen je de indruk geven dat je leven geen zin en geen toekomst meer heeft.
De vraag is: Hoe raak je daar uit?
Het verhaal van de profeet Elia biedt ons de oplossing. God liet hem niet in de steek. Hij gaf hem een teken: wonderbaar voedsel, eten en drinken. En, zo hoorden we, God stuurde hem een engel om hem te sterken.
Engelen bestaan niet, zingt men in het liedje. Maar de ervaring leert dat engelen van mensen wel bestaan. Een vrouw die haar zieke en hulpbehoevende man blijft verzorgen thuis, dat is een engel van een vrouw. Een goede vriend of vriendin die je met veel begrip uit je verdriet of teleurstellingen haalt. Kinderen die er alles voor over hebben om hun ouders een gelukkige oude dag te geven. Religieuzen als de zusters van Mother Teresa die stervende sukkelaars van de straat rapen en ze verzorgen. Allemaal engelen van mensen, in wie God voelbaar is, heel dichtbij.
Ik wens aan elkeen dat je engelen van mensen mag ontmoeten, als je, zoals Elia, moedeloos bent en het niet meer ziet zitten. Ik wens ook dat je zelf een engel van een man, een engel van een vrouw, zou zijn voor de vele mensen in je omgeving die teleurgesteld zitten te treuren onder hun bremstruik.
Dan wordt die bremstruik een wijnstok: bron van nieuw leven.
Maar daarvoor zijn engelen van mensen nodig!
Gab. Buyse, pastoor-deken em. Tielt