(voor 12 zie desgewenst Getallensymboliek)
In het O.T. vind je wel wonderverhalen zoals over een bijl die in het water valt maar toch blijft drijven, en de tekst die vooraf gaat aan de 1e lezing is een lange rij van dat soort verhalen. De 1e lezing doet ook zo aan, als zijnde alleen maar een wonderverhaal . Maar er staat iets bij dat de betekenis bepaalt. De man uit Baäl-Salisa brengt broden en graan als eerstelingen.
Wat moet dat met die eerstelingen? De gelovige Jood bracht bij het begin van de graanoogst een korf met de eerste veldvruchten naar de priester in de tempel en dan moest hij zeggen: “Vandaag belijd ik voor de Heer mijn God dat ik in het land ben gekomen dat Hij onze vaderen onder ede heeft beloofd”. De priester neemt dan de korf aan en zet hem voor het altaar van de Heer. En dan staande voor de Heer, zijn God, begon de Jood zijn verhaal, zijn geloofsbelijdenis: “Mijn vader was een zwervende Arameeër…” en hij vertelt het hele verhaal van Abraham, over Egypte, over de uittocht uit Egypte en de intocht in het beloofde land. Als teken van zijn dank daarvoor biedt hij de eerste vruchten aan die dat land dit jaar heeft voortgebracht. Ieder jaar gaat hij voor zijn God staan en dankt hij met een mandje korenaren. Dat heeft iets heel puurs.
In die sfeer kan het verhaal gelezen worden over de 20 gerstebroden en wat vers koren. Te denken aan deel hebben, aan dankbrood, aan dankzegging, aan doorgaand leven dat ieder jaar weer wordt gevierd, brood voor honderd man, d.w.z. voor zeer velen, voor iedereen.
Johannes doet in zijn evangelie eigenlijk hetzelfde. We zijn geneigd ons onmiddellijk af te vragen of dat wel kan - met vijf broden en twee vissen 5000 man voeden, vrouwen en kinderen niet meegeteld - zoals hij verder op schrijft - na gedankt te hebben. Maar Joh zit in een andere sfeer, een ander kader. Hij zegt dat Jezus de berg op ging en zich daar neer zette. Dat geeft al een speciale lading; het is de berg die Mozes opging, de berg die Jezus opging om te onderrichten en om verheerlijkt te worden, het is de weg omhoog, de weg die naar God leidt. Het gaat dus om het contact krijgen, contact hebben met de Vader.
Wat Joh doet - de andere evangelisten doen dat niet - is het verhaal plaatsen in de context van Pasen. Pasen is het feest van bevrijding, van het doorgaande leven. Op de middag voor de eerste paasdag werden de paaslammeren geslacht, die ’s avonds werden gegeten. De volgende dag werden de eerstelingen van de oogst aangeboden, waarvan de eerste lezing ook spreekt. Het dankgebed van Jezus zou dus best wel een kunnen zijn: “Mijn vader was een zwervende Arameeër…” Zo bidt Jezus dan zijn dankgebed. En dan kunnen vijfduizend man ervan eten. Het is ook mogelijk dat Joh associeert met de Eucharistie, die Jezus aan zijn Pasen verbindt. Het brood dat daarbij gebruikt wordt, verwijst naar het meeloffer, dat een dankoffer is. En daarvan eten wij nu nog, tot het niet meer hoeft.
Er is met het brood iets aan de hand: “Haalt de overgebleven brokstukken op om niets verloren te laten gaan” zegt Jezus. Het is niet zomaar brood, het is zijn dankbrood, ook het dankbrood van degenen die ervan hebben gegeten. En het is brood dat ze onderweg - als ze weer naar huis gaan - nodig hebben om niet te verhongeren, om het dankoffer voor te zetten, om het contact met de Vader te behouden. Dat gaat boven het gewone uit en dan zou je wensen dat ze nog eens twaalf korven extra meekregen want je krijgt er niet genoeg van. Maar het Brood van Jezus in twaalf korven is voldoende om het doel te bereiken, het Rijk dat komen moet. De woestijnreis gaat immers door en gaat steeds verder.
Wat er historisch precies is gebeurd bij die of bij zo’n gelegenheid, weten we niet maar er is iets gebeurd dat aanleiding is geworden voor zo’n verhaal, een geloofsbelijdenis: “Dit is stellig de profeet die in de wereld moet komen”. Dat is doorgegeven aan de komende generaties.
Wij hebben in de tussenzang die geloofsbelijdenis onderstreept: “De ogen van allen - die honderd of die 5000 - zien hoopvol naar U, Gij geeft hun te rechtertijd spijs” (of ps. 145I: Aller ogen wachten: op U die het voedsel geeft altijd weder - Gij opent uw hand -Jezus deelt uit - en verzadigt uit uw overvloed ….") Zou deze psalm ook Jezus door het hoofd hebben gespeeld toen hij het dankgebed sprak en uitdeelde?
Dan heeft hij of zijn volgelingen ook gedacht aan “Gij opent uw hand en verzadigt het verlangen van al wat leeft.” Het is een geweldige ervaring van hoe God nabij is, nabij mensen. De Heer verzadigt wat Hij Zelf in zijn mensen heeft gelegd: verlangen naar Hem. Het gaat om veel mee dan een wonderverhaal, het gaat om mensen die iets hebben ervaren, iets goddelijks in Jezus. Wij nu nog meer dan iets goddelijks in Jezus: zijn goddelijk leven in ons als we met hem danken en eten van dat brood.
Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Het gaat er nu niet om dat er tegenwoordig meer uit de muur wordt gegeten dan samen aan tafel maar dat er vraag is naar geestelijk voedsel, naar een zoeken naar zinvol leven, leven dat verder gaat, meer inhoudt dan lichamelijk en sociaal leven. In wat Joh schrijft over Jezus ligt veel stof ter overweging. Het gaat nl. niet om vertoon, om koning zijn; het gaat om iets interns, intens, intiems, tussen Jezus en jou. Wie weet is er ook iets voor jou bij.
“Gij opent Uw Hand en verzadigt uit uw overvloed alles wat leeft, verzadigt het verlangen van al wat leeft”. Zullen we ons en paar minuten tijd gunnen dat over ons te laten komen?