Soms vraagt een mens zich af: waarom maken mensen ruzie, waarom maken mensen oorlog, en waarom schieten mensen op elkaar? Waarom? Loont het wel al die moeite als het alleen maar dient om te bewijzen, dat wij de grootste en de beste zijn? Daarover schrijven filosofen en uiteindelijk weten ze het niet. Ze blijven steken op het raadsel van de menselijke agressiviteit. Waarom wordt onze agressiviteit onbespreekbaar, bruut en onredelijk? Waarom?
Maar de vraag van de Efeziërsbrief gaat verder: loont het al die moeite als het alleen maar dient om onder christenen te bewijzen, dat wij alleen het enige ware geloof bezitten? En de andere dus niet!
Ik denk, dat deze brief aan de Efeziërs daarover juist iets zeggen wil. Als ik het goed begrijp, lees ik hier alleen maar woorden die over iets anders gaan. Niet over ons gelijk, niet over onze drift om te heersen en onze passie om overwinnaar te zijn. Natuurlijk gaat het daar wel over, maar de auteur van de brief zoekt een ander standpunt. Hij zoekt het punt waarvoor onze psychologie capituleren moet.
Zolang mensen leven voor de hoogste plaats en dromen van top-prestaties en een top-positie, is oorlog het logische gevolg. Dan leven we nog vanuit datgene wat we willen bewijzen en niet vanuit datgene wat we hebben ontvangen.
Welnu, deze stijl mag onder christenen niet overheersen. Wij leven vanuit datgene wat we hebben ontvangen, vanuit een geschenk. Dat per definitie niet van ons is. Over een geschenk maakt men toch geen ruzie: een gekregen paard kijkt men niet in de bek. Een gekregen geloof kijkt men ook niet in de bek!
Waarover maken gelovigen dan ruzie? Over het zo gezegde ware geloof? Wellicht omdat ze het geloof beschouwen als hun bezit, als hun heilig territorium, als hun eigen uitvinding? Dan begint fataal de godsdienstoorlog, dan worden gelovigen agressief en defensief. Wat in wezen hetzelfde is. Dan plaatsen ze zichzelf boven het geloof. Dan maken ze van hun bezitting hun bezetting! En dan spelen ze het eeuwige (on)menselijke spel van gelijk en ongelijk. Dan spelen ze Stratego en Monopoly met het geloof.
Daartegen protesteert deze brief. Geloven doen we met lege, open handen en niet met vuisten. Geloven doen we als we in een kring gaan zitten rond gaven en woorden en waarden die niet van ons zijn, die ons niet toebehoren.
Zo wordt de Efeziërsbrief een oecumenisch document: datgene wat ons bindt, ligt buiten en boven en temidden van ons.
Als dat waar is, dan is ons dogma altijd onderworpen aan iets wat groter is dan onze waarheid. Dan ontdekken we met dankbare onderwerping, dat er één Heer is, één God en Vader, één doop en één Geest.
Wellicht zegt de Efeziërsbrief alleen maar, dat geloven duizendmaal belangrijker is dan wat de godsdiensten tot systeem verheffen. Wat natuurlijk heel erg is.
Als de godsdiensten vergeten zich nog te verwonderen over de gave van het geloof, mag het ons niet verwonderen, dat ze vechten voor hun waarheid waarin er geen plaats meer is voor het wonder.
Dan gaat voor de auteur van deze brief de deur dicht. Dan kunnen we beter toegeven, dat het in het geloof niet meer gaat om God maar om onszelf. En om het gelijk van onze kleine waarheid.