Jezus heeft zijn wijsheid bewezen en talrijke wonderen verricht. Steeds meer heeft Hij zich geopenbaard en velen hebben Hem hun vertrouwen geschonken. Anderen wijzen Hem af, nog anderen bestrijden Hem en zijn eigen dorp wil Hem niet erkennen. Het is in dat dorp dat Hij zijn leerlingen meeneemt. Ze zijn getuigen van al wat Hij doet en ook van de reacties van de mensen, van hun ja en van hun neen. Het zijn deze leerlingen die Hij nu uitzendt. Ze weten wat ook hen te wachten staat: het ja en het neen van de mensen, want het is in Jezus’ Naam dat ze gaan, dat ze zelf onderricht geven en wonderen verrichten. Als Hij ja en neen als antwoord gekregen heeft, zal het hen niet anders vergaan. Wie de pretentie heeft aan anderen te zeggen dat ze zich moeten bekeren, moet al niet veel meer verwachten.
Jezus heeft zich nog niet helemaal blootgegeven. Hij heeft zich nog niet helemaal uitgesproken. Maar het is al voldoende klaar in welke richting het gaat. Hij kan al zijn meest nabije leerlingen zenden. Zij kunnen al een zending aan. Ze hebben al voldoende begrepen waarover het gaat. ‘Zij vertrokken om te prediken dat men zich moest bekeren’. Het was hetgeen Jezus zelf gepredikt had. Dat de mensen hun drang om anderen te overheersen, die altijd terugkerende bekoring moesten afleggen. ‘Het Rijk Gods is nabij’, had Hij gezegd. ‘Het ligt in uw bereik’. God moest als een vader over allen ‘heersen’. Hij was tenslotte de enige Heer. Niemand had eigenlijk macht over iemand anders. Allen waren echt en eigen Godskind. Allen waren broeders en zusters ondereen. Macht moest altijd dienst zijn, hulp, broederschap, verlichting van elkanders lasten, liefde tussen man en vrouw, sociale samenwerking, politieke doorzichtigheid, eenheid in de synagoge. God was de Enige die meer was, die hoger stond dan de anderen, die Vader was juist omdat allen broeders waren. In de mate dat de mensen broeders zouden worden, dat ze zich zouden bekeren, dat ze hun machtsdrang zouden afleggen, zou God hun als Vader nabij zijn. Ze moesten geen koning meer verwachten. Ze moesten zich niet vast ankeren in de hoop op een machtige Messias, die in Israël zou vastleggen wie klein moest blijven en wie groot was, en die Israël als natie onafhankelijk en sterk zou maken. Dat interesseerde Jezus niet. Dat moest ook de apostelen niet interesseren. Ze moesten juist de bekering prediken, opdat eerst in Israël en straks ook buiten de grenzen, niemand zich nog zou opstellen als een machthebber, niet religieus, niet politiek, niet sociaal, niet in zijn familie. ‘Bekeert u’ wilde zeggen ‘verandert van gezindheid’, ‘verandert van mentaliteit’. Jezus hád die andere mentaliteit. Hij bewees door zijn leer, door zijn ‘wijsheid’, en ook door zijn ‘wonderen’, hoe zoveel in de maatschappij kon veranderen, als er veel in de harten veranderde, als men God als Vader de eerste plaats gaf, en aan grote en kleine keizers hún plaats, die altijd alleen de tweede plaats kon zijn.
De ‘onreine geesten’ die in het hart van de mens leven, hadden in zijn hart geen plaats. Door zijn eenheid met God, zijn Vader, had Hij macht over hen. Het is die macht die Hij op de apostelen overdroeg. ‘Hij gaf hun macht over de onreine geesten’. ‘Ze dreven veel duivels uit, zalfden veel zieken met olie en genazen hen’.
‘Het Rijk Gods’ dat in Jezus’ hart zijn vaste burcht had, die voor het kwaad een onneembare vesting was, breidde zich nu uit door de prediking van de apostelen. Ze hadden de gezindheid van Jezus overgenomen en zijn macht en kracht, de kracht van het ‘Rijk Gods’, dat in Hem zijn kern had, brak nu door in de harten van allen die zich bekeerden en de gezindheid van Jezus via de apostelen overnamen.
‘Het Rijk Gods’ begon zich te vestigen. De voorwaarden opdat het zich zou uitbreiden waren klaar. Wie als apostel gezonden werd, wie als leerling zich aansloot, moest zich niet verlaten op geld en goed, op ‘dubbele kleding’, ‘reiszak’ of ‘voedsel’. Ze moesten hun eigen rijk niet eerst verzekeren. ‘Het Rijk Gods’ zouden ze prediken. Al de rest zouden ze min of meer wel vinden.