Veertiende zondag door het jaar (2009)

B-cyclus · Tijd door het jaar · 14e zondag · groen

Inleiding

‘Suscepimus, Deus, misericordiam.’ ‘Wij gedenken uw goedheid, Heer, hier binnen uw heiligdom.’ In dat gedenken víeren we tegelijkertijd Gods goedheid, hier binnen in zijn heiligdom, waar zijn goedheid aan ons geschiedt door zijn woord. Daarin spreekt Hijzelf tot ons met goddelijke gezag, maar ook met liefde. Een liefde die zich geeft aan liefdelozen, zoals zijn Woord zich richt tot mensen die niet willen luisteren, zoals vandaag in de eerste lezing God zelf tot de profeet Ezechiël zegt: “Dat opstandige volk dat zich tegen mij verzet. Het is een nukkig en weerbarstig volk.” Maar als Hij bij zijn volk niets kan bereiken met woorden, schakelt Hij over naar woordeloze communicatie. Dan gebruikt Hij de taal van zijn Lichaam. ‘Dit is mijn Lichaam, voor u gegeven.’ Dat woord gaat er goed in, ook bij ons, die net zo goed nukkig en weerbarstig zijn. Als dat woord wordt gesproken bij de consecratie, dan geschiedt dat woord ook inderdaad aan ons; het neemt het Lichaam en het Bloed aan van Jezus Christus, onze Heer. Hij wil het niet van onze onwil om te luisteren laten afhangen. Hij schept zijn liefdevolle woord in ons.
In dat bad van barmhartige, goddelijke liefde heeft Hij ons ondergedompeld bij ons heilig doopsel. Laten wij dat nu vandaag op zondag, de zondag van het miskende woord in Nazareth, vieren, hier binnen in zijn heiligdom.

Homilie

“In die dagen kwam de Geest over mij (de profeet Ezechiël) en Hij sprak tot mij; Hij deed mij recht overeind staan,” zoals wij allemaal zo-even overeind gingen staan om naar het Woord van God te luisteren. Dat is de houding die wij aannemen als het evangelie wordt gesproken, het Woord van God, dan gaan we recht overeind staan, en niet alleen uit eerbied dat God tot ons spreekt in zijn Woord, maar ook dat wij er naar willen handelen, horen om te gehoorzamen. God spreekt niet zo maar tot ons, maar Hij spreekt tot ons omdat wij ons door Hem zouden laten aanspreken en zouden doen wat Hij in zijn Woord tot ons zegt. Zo was dat ook bij de profeet Ezechiël. “Mensenzoon, Ik zend u tot de kinderen van Israël, tot dat opstandige volk dat zich tegen Mij verzet. Het is een nukkig en weerbarstig volk. Tot hen zend Ik u en u zult tot hen zeggen: zo spreekt God de Heer. En of ze nu luisteren of niet - het is een opstandig volk - ze zullen weten dat er een profeet in hun midden is.” Dat betekent: de woorden van God, de geboden van God, blijven hun verplichtend karakter behouden, ook als ze door niemand meer worden verstaan.

Wat toen gold, geldt ook nog voor onze tijd. Ik heb eens iemand horen zeggen: ‘Het is toch niet verkeerd dat katholieken niet meer naar de Kerk gaan, want dat doet toch bijna niemand meer. Als dat fout zou zijn, dan zouden de meeste mensen in mijn omgeving verkeerd doen, en het zijn toch allemaal mensen die goed bezig zijn.’ Blijkbaar kan het gebeuren, dat het Woord van God nog wel wordt gesproken, maar niet wordt verstaan en niet ingevolgd.
God echter houdt er Zich wel aan. “Of ze nu luisteren of niet, ze zullen weten dat er een profeet in hun midden is.” Je zult er op worden afgerekend. Zoals Jezus ooit heeft gezegd: “Van ieder onnut woord dat de mensen spreken, zullen zij rekenschap moeten afleggen op de dag van het oordeel” (Mt 12,36). Over ieder onnut woord dat de mensen gesproken hebben, maar ook over ieder woord dat God gesproken heeft en waar je je niets van hebt aangetrokken, moet je rekenschap afleggen.

Hoe is het nu mogelijk dat je rekenschap en verantwoording moet afleggen voor woorden waarvan je het persoonlijke, goddelijke verplichtende karakter niet hebt ondervonden? Dat is misschien wel zo voor mensen buiten de Kerk, die niet in het heiligdom de goedheid van Gods woord hebben ondervonden. “Mensen die het verschil niet weten tussen hun linkerhand en hun rechterhand”, zoals God tot Jona zegt over de inwoners van Nineve (Jon 4,11). Maar mensen van de Kerk, die de sacramenten hebben ontvangen, de gaven van de heilige Geest, “die van de hemelse gave hebben geproefd en deelgenoot werden van de heilige Geest, die de voortreffelijkheid van Gods woord hebben ontvangen en de krachten van de toekomstige wereld hebben ervaren” (Heb 6,4.5), die kunnen wel op het niet luisteren naar God worden afgerekend.

De voortreffelijkheid van het Woord van God ervaren, hoe gaat dat in zijn werk? Het evangelie laat het ons vandaag zien. “Toen het sabbat was begon Jezus te onderrichten in de synagoge.” Hij deed dat met woorden van wijsheid en Hij deed dat met daden, met wonderdaden, met machtsdaden. “De talrijke toehoorders vroegen verbaasd: Waar heeft Hij dat vandaan? En wat is dat voor een wijsheid die Hem geschonken is? En wat zijn dat voor wonderen die zijn handen verrichten?” Ze zien een menselijke gestalte en ze horen menselijke woorden, maar in wát ze zien en in wát ze horen, worden zij als het ware ondanks zichzelf omhoog gevoerd door de heilige Geest naar wat ze niet kunnen zien en naar wat ze niet kunnen horen, maar wat ze wél kunnen waarnemen door de heilige Geest. Ze worden opgevoerd naar de onzienlijke en onhoorbare oorsprong van die woorden en van die machtsdaden, ze worden opgevoerd naar God. Zij ervaren in de woorden en in de handelingen van Jezus God, goddelijke wijsheid, goddelijke kracht en dus ook goddelijk gezag. En zo laat God Zich nog steeds ervaren; in een woord, in een gedachte, in een menselijke stem, spreekt God zelf tot mij, hier en nu, binnen zijn heiligdom, binnen de Kerk.

De leerlingen hebben dat meer dan eens ervaren toen zij getuigen waren van Jezus’ wonderen, bijvoorbeeld bij het bedaren van de storm door Jezus op het meer van Galilea. “Zij werden door grote vrees bevangen en vroegen elkaar: Wie is Hij toch, dat zelfs wind en water Hem gehoorzamen?” (Mc 4,41) Langs de weg van het kenbare, het zienbare en het hoorbare gaan ze naar het onkenbare, onzienbare en onhoorbare; langs de weg van het grijpbare naar het ongrijpbare. En zo vlogen ook de gedachten van de Nazareners voorbij aan het menselijke en natuurlijke van Jezus, het gewone menszijn, totdat zij rust vonden bij God zelf, van wie zij voelden dat Jezus daaraan zijn wijsheid ontleende, dat Jezus op datzelfde moment zijn wijsheid geschonken kreeg van God. Hij spreekt met een wijsheid die Hem geschonken is door God.

Jezus’ wijsheden en machtsdaden komen uit een andere wereld, zijn van een bovenmenselijke oorsprong, het is goddelijke wijsheid en dus moet je daaraan gehoorzamen. Nu kan dat twee kanten uit: ofwel regelrecht naar een gelovige bevestiging dat Jezus inderdaad God is, het Woord van God spreekt, het Woord van God ís, zoals meerdere malen in andere omstandigheden geschiedde. “Allen werden door ontzag bevangen en zij verheerlijkten God” (Mc 7,16), of bij een andere gelegenheid: “Buiten zichzelf van verbazing riepen zij uit: Hij heeft alles welgedaan, Hij laat doven horen en stommen spreken” (Mc 7,37). Een belijdenis met woorden nadat zij in het hart gegrepen waren door God.
Ofwel het kan de andere kant uit: ja maar dat kan toch niet. Hij is toch maar een gewoon iemand. We hoeven ons door Hem toch niet te laten gezeggen. “Is dat niet de timmerman, de zoon van Maria en de broeder van Jakobus en Jozef, en Judas en Simon?”

Er zijn nog vele andere mogelijkheden, die ook de mensen in onze tijd hanteren om maar niet aan God te hoeven gehoorzamen: Heb ik het wel goed gehoord? Of: Daar ben ik nog niet aan toe. Of: Daar heb ik nu geen zin in. Nu even niet. Of: Hij kent mijn zwakheid toch. En daarvan weten we wat Paulus te horen heeft gekregen: Ja, Ik ken je zwakheid, je zwakheid tot het uiterste, je kunt het niet. Maar kracht komt pas tot voltooiing in zwakheid. Je kunt het niet, maar wat je wel kunt, is het je laten schenken. “Je hebt genoeg aan mijn genade”, en Ik sta klaar om je die te schenken. Zoals de goddelijke wijsheid en de goddelijke macht aan Jezus geschonken werden. Hij stond daar als Zoon van de Vader voor open.

Er zijn zoveel manieren om je aan het goddelijk, verplichtende karakter van de woorden van God te onttrekken. Maar dit moet je wel weten: Hij heeft het je gezegd. God zegt het je en dat woord is een Woord van God, en in dat Woord spreekt Hij zijn liefde uit. Hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar dat Woord van God dat je hebt gehoord, dat tot je is gesproken, zal niet voorbijgaan. Je zult daar eens verantwoording van moeten afleggen.

Zoeken in Preken Online