Weten wie Hij is (2009)

B-cyclus · Tijd door het jaar · 14e zondag · groen

* Jezus kwam terug in zijn eigen dorp vergezeld van zijn leerlingen. Nazareth telde zo wat 150 gezinnen. Het volk leefde er landelijk onder olijfboom en wijnstok, teelde wat gerst en tarwe. Ieder bakte zijn eigen brood. Iedereen kende iedereen. Ook Jezus was er gekend van kindsbeen af. De bevolking kende zijn familie. Onder Jezus’ verwanten bewogen zich mensen met fouten en gaven. Jozef was er timmerman. Dat vak dekte meteen metselen en smeden. Jozef kon beste een kleine aannemer zijn geweest. Het vrome gezin van Nazareth was waarschijnlijk niet echt arm. Wel heeft Jezus ooit voor de armoede gekozen. Je kan maar voor de armoede kiezen als je welstellend bent.
* Jezus had in het begin van zijn publiek optreden in Kafarnaüm en elders in Galilea, tot over de Jordaan, gepreekt en wonderen verricht, succes geoogst en faam verworven. Nu komt Hij op sabbat ook hier in de synagoge en treedt naar voren om voor te lezen en te prediken (Mc 6,1-6).

1. Zijn talrijke toehoorders, zijn dorpsgenoten, waren verbaasd.

  • Mogelijks is Jezus meer dan eens opgetreden in de synagoge van zijn eigen dorp. Men neemt aan dat het niet dezelfde keer was toen Hij ook in Nazareth eerder de Jesajarol had geopend: “De Geest des Heren is over Mij gekomen. Hij heeft Mij gezalfd en gezonden…”. Ook toen verbaasden ze zich over zijn woorden die vol genade over zijn lippen vloeiden, en ze zeiden “Is dat niet de zoon van Jozef ?” (Lc 4,16-22). “De zoon van de timmerman ?” (Mt 13,55). Courant werd Jezus zo genoemd. Men noemde iemand naar zijn erkende vader zoals Jezus tot Petrus: “Simon zoon van Jona” (Joh 21,15-17). Familienamen bestonden niet. Ook Filippus had opgetogen aan Nathanaël meegedeeld: “We hebben de Messias gevonden, Jezus de zoon van Jozef uit Nazareth” (Joh 1,45). Jezus’ echte menselijke herkomst was onbekend. Lucas had al eerder gezinspeeld op dit niet-weten van de mensen: “In de opvatting van de mensen was Hij de zoon van Jozef” (Lc 3,23).\
  • Die onwetendheid vindt nu een climax. De waarheid van Jezus’ menselijke afkomst ontsnapt hen. Ze weten nog minder iets van zijn geboorte uit God die zijn Vader is. En dit had verband met hun eerste onwetendheid. “Waar heeft Hij dat vandaan? Die wijsheid en die wonderkracht ? Is dat niet de timmerman, zoon van Maria en de broeder van Jacobus en Jozef en Judas en Simon ?…” Marcus vermeldt Jozef niet, wel Maria. Voor het woord ‘broer, neef, kozijn’ bestond in Jezus’ moedertaal maar één woord (‘ach’). In de Griekse vertaling bleef men dan bij het ene woord (‘adelfos’). Hiermee konden zowel eigen broers als ook verdere verwanten worden bedoeld. Die vermelde broers waren niet de eigenlijke broers van Jezus. We lezen overigens verderop dat de eerste twee de zonen waren van Maria van Klopas (Mc 15,40). Ze waren het feitelijk alle vier (*). \
  • “Het volk nam er aanstoot aan” (Mc 6,3). In een klein dorp verdraagt men niet dat iemand uit eigen rangen anders kan zijn dan wat zij van hem willen weten. Jezus was geen universitair. Hij had geen rabbijnenschool gevolgd, had niet gezeten zoals Paulus aan de voeten van de grote Gamaliël. De vraag naar zijn wijsheid en wonderkracht krijgt vooral reliëf in het evangelie volgens Johannes. Tot Nicodemus zei Jezus: “Wij spreken over wat We weten en Wij getuigen over wat Wij ‘gezien’ hebben…” (Joh 3,1). Zijn kennis is geen boekenwetenschap. Hij die in de schoot van de Vader was heeft ervaringskennis van God: “Ik verkondig wat Ik bij de Vader heb ‘gezien’… Van God ben Ik uitgegaan en van Godswege ben Ik hier.” (Joh 8,38.42). “Mijn leer is niet van Mij, maar van Hem die Mij gezonden heeft.” (Joh 7,16). En over zijn kracht zei Jezus: “De Zoon doet alleen wat Hij de Vader ziet doen. En alles wat Deze doet, doet de Zoon insgelijks” (Joh 5,19). Jezus herkennen als Zoon van God, mens geworden Woord, is het einde van alle verbazing.

2. Zij waren verbaasd over Hem, maar Jezus was over hun ongeloof verbaasd.

  • Zijn dorpsgenoten hadden gewoon naast Hem geleefd. Ze waren vreemd gebleven aan de echte Jezus. “Ook zijn broers geloofden niet in Hem” (Joh 7,5). “Een profeet wordt overal geëerd behalve in eigen vaderstad” (Mc 5,4). Soms hoor je zeggen: “Had ik maar in Jezus’ tijd geleefd, het zou voor mijn geloof toch anders en beter zijn geweest”. Anders, maar daarom niet beter. Bevoorrecht zijn wij na het eerste Pinksteren, ja nu te mogen leven. Voor Jezus’ tijdgenoten was het niet zo evident wie Hij was, ondanks de tekenen die Hij verrichtte en de woorden die Hij sprak. Er was iets dat hun ogen gesloten hield. Niet geloven is aan de buitenkant leven van Gods geheim. Het is zich nestelen in eigen blindheid. Volgens Lucas kwam het zelfs tot een stormachtig protest tegen Hem. Jezus werd haast gelyncht. Ze wilden Hem pakken en dumpen in het ravijn (Lc 4,29-30).\
  • Geloven is uit zichzelf getrokken worden naar de werkelijkheid van Gods waarheid, Gods liefde, Gods barmhartigheid. Geloven is de ruimte, het klimaat scheppen waarin God God kan zijn, waarin Hij kan handelen zoals Hij wil handelen, en zelfs wonderen verrichten. Maar wonderen zijn geen krachttoeren, geen stunten. Ze openen de hemel. Jezus deed er geen mirakelen, tenzij enkele handopleggingen. Dan ging Hij weg, trok rond door de dorpen in de omtrek en gaf daar onderricht. De bewoners van het dorp van ‘de boodschap aan Maria’ verspilden hun Jezus. Is het soms ook ons drama dat wie naast en buiten Hem leeft, het risico loopt Hem voor goed te gaan missen?

(*) Claude Roure, “Lettres à Jacques Duquesne sur la famile de Jésus”; Cahiers Evangile N°s 77 et 119 ; Ign. de la Potterie, “Maria in het mysterie van het Verbond”…

Zoeken in Preken Online