Het contrast tussen het ongeloof van Nazaret en het geloof van de twee vrouwen van vorige zondag gaapt als een oven. Jezus licht steeds verder de sluier op. Zondag na zondag worden we in zijn leven binnengeleid, in zijn bestaan betrokken, door zijn woorden uitgenodigd, door zijn daden uitgedaagd, om via de ontdekking van zijn geheim het geheim van ons eigen leven te ontdekken.
Het krioelen van de mensen spreekt voor zichzelf. Ze willen leven en overleven. De overste van de synagoge wil zijn kind zien leven. De vrouw met haar bloedvloeiing wil genezen. De mensen willen werken en leven en gezond zijn. Dat is evident, spontaan, natuurlijk.
Jezus behoort volkomen tot de kring van die mensen. Hij is een van de dorpelingen van Nazaret. Hij heeft een beroep en een familie. Hij ook wil leven en overleven. Ook voor Hem is dat spontaan en natuurlijk. ‘Is dat niet de ondernemer, de zoon van Maria en de broer van Jakobus en Jozef en Judas en Simon? En wonen zijn zusters niet hier bij ons’?
Als Hij wondere krachten bezit helpt Hij spontaan en natuurlijk mee ook in zijn dorp, in zijn stadje, dat een tweehonderd mensen kan geteld hebben, om het leven in zijn eigen familie en het leven van de andere families van het dorp voort te helpen waar Hij kan. Tot hier geen moeilijkheden. Waar Hij zijn rol opgenomen had in het gewone doen had het geen verwondering gewekt. Maar nu Hij terug in zijn dorp komt, na een lange afwezigheid en met die ‘wijsheid’ en die ‘wonderen’? ‘Zij namen er aanstoot aan Waar was Hij geweest heel die tijd? Waar had Hij die ‘wijsheid’ en die wondere kracht opgedaan? Was het wel waar wat ze elders over Hem vertelden? Had Hij dat dochtertje van die Jaïrus wel opgewekt? Had Hij die vrouw wel van haar bloedvloeiing genezen? Was Hij wel zo sterk tegenover de schriftgeleerden, zoals overal van Hem verteld werd? In de synagoge van zijn eigen Nazaret waren de ’talrijke toehoorders’ eerst ‘verbaasd’ en op het einde ’namen ze er aanstoot aan Eerst konden ze het niet geloven en op het einde wilden ze het niet geloven. Ze ergerden zich. Het wekte hun wrevel op. Het leven moest maar liefst gewoon doorgaan en Jezus moest maar weer gaan werken. Ze wilden maar liefst niet gestoord worden, niet verplicht worden om over dit alles na te denken. Ze zouden nog verplicht worden over zichzelf na te denken, over de zin van hun eigen leven, over hun eigen geheim, over de betekenis van hun dorpsleven, met zijn goede en zijn kwade kanten. Was dat tenslotte niet natuurlijk en eigenlijk eenvoudig? Konden ze niet gewoon voortgaan met brood bakken en kleren maken en bouwen en trouwen? Was het niet gewoon dat er ook enkele zieken waren? En stierven er tenslotte niet meerdere kinderen zeer jong? Zo was nu eenmaal het leven. Jezus mocht niet anders zijn. En zij mochten niet anders worden. Het kon ook gaan zonder die grote of kleine wonderen en zonder al dat nadenken van die Jezus. Hij was uit hun eigen kring en in die kring moest Hij maar blijven. Het was eigenlijk maar gevaarlijk die kring te breken. Het was veel eenvoudiger als hij gesloten bleef.
Jezus ‘stond verwonderd over hun ongeloof’. ‘Hij kon geen enkel wonder doen, behalve dat Hij een klein aantal zieken genas die Hij de handen oplegde’. In Nazaret botste Hij op de stugheid van zijn dorpsgenoten. Hij licht verder de sluier op, maar voelt zich als de acteur, die met tegenzin de volgende akte begint, voor een publiek dat niet meewil. Hij speelt voor de enkelen die in Hem geloven. voor hen die zijn drama in hun leven willen laten spelen. Dan rolt Hij zijn matten op. Hij ‘ging rond door de dorpen in de omtrek waar Hij onderricht gaf’. Hij schudde het stof van zijn voeten. Ze zouden Hem niet meer terugzien. Misschien later nog van Hem horen. Deze kans was voor hen in elk geval verkeken.