De profeet wordt niet gehoord

B-cyclus · Tijd door het jaar · 14e zondag · groen

Het is eventjes een geestigheidje. Iemand zegt: ‘Ik ben niet voor, ik ben niet tegen, integendeel.’ Ja, dan valt er niets meer te zeggen. Integendeel. In de lezingen van deze dag wordt deze geestigheid heel droef. Bij Marcus wordt gezegd dat Jezus in zijn vaderstad kwam en er geen enkel wonder kon doen. De mensen waren niet voor en ook niet tegen, integendeel. Ze namen niet de moeite om enthousiast te zijn en evenmin om woest te worden. De zoon van de timmerman was voor hen een gewone jongen uit een gewone straat. Van zo iemand verwacht men geen wonder. Er gebeurt dus ook geen wonder. En als het ware tussen de plooien van de tekst staat geschreven dat Hij wel een aantal zieken genas. Dus toch een wonder?

Dit is een diep geheim. Wie niet voor is en niet tegen, ziet nooit iets. Hij is te bom om de ogen te openen. Hij ziet alleen feitelijke dingen. Hij leest als het ware enkel wat op de affiches te lezen staat. Ander nieuws bestaat niet. Heel het leven is zo vlak als een boterham eten met kaas. Het leven is matglas: je ziet er niet doorheen. Dat is de taal van de mens die geleerd heeft nooit voor te zijn en nooit tegen, integendeel. Deze mens schrijft op zijn deur wat wij op onze brievenbus plakken: geen profeet a.u.b., geen bevlogen taal a.u.b., geen enthousiaste boodschap a.u.b. Geen enkele profeet is tegen zoiets bestand.

Tenzij de profeet natuurlijk zijn orakel inslikt. Dan kan het wel. Dan is hij wel welkom in de stad. Als je zegt wat mensen graag horen, dan word je altijd gehoord. Dan gaan alle deuren open. Succes verzekerd. Van dat soort profeten zijn er in Israël meer dan genoeg geweest. Het waren demagogen. Het waren valse profeten. Ze zegden de waarheid niet.

Ezechiël en Jezus zeggen de waarheid wél. Ten aanzien van Ezechiël en Jezus kan je enkel voor of tegen zijn. Je moet dan wel iets verwachten. Je moet namelijk het wonder verwachten, het wonder van de ommekeer. Een profeet die wordt verwacht, kan worden gevolgd of afgewezen, geprezen of verworpen. In ieder geval, met de ware profeet gebeurt er iets. Eventueel een wonder. Eventueel nieuw leven. Dat is dus de geheime wet van het wonder: wie de ogen geopend houdt om het te zien, die zal het zien. De mens die vrijwillig blind is, ziet per definitie niets.

Om die reden kon Jezus in zijn vaderstad geen enkel wonder doen. Zijn dorp was een slaapdorp. Alleen in de huizen waar de zieken sliepen met de ogen open, kon het wonder gebeuren. Het is dan ook zeer betekenisvol dat er geschreven staat: ‘Jezus ging rond in de dorpen in de omtrek.’ Een profeet doorziet heel vlug of mensen het wonder verwachten of niet. Hij wordt als een magneet aangetrokken door de plaatsen waar bevrijding en genezing en verwondering mogelijk zijn. Om het heel eenvoudig te zeggen: als de leerlingen in de klas niets willen leren, kan de leraar niet doceren. Ook God klopt tevergeefs aan een deur waar men voor niemand opendoet. Jezus heeft dat goed geweten en Ezechiël ook. De mens is een raar wezen. Volgens Albert Camus is de mens een wezen dat aan alles gewent. Ook aan zijn ballingschap, ook aan zijn versleten rieten zetel. Dat is zo. Daarom wordt de profeet nooit gehoord.

De profeet heeft luisteraars nodig.

Zoeken in Preken Online