Twaalfde zondag door het jaar (2009)

B-cyclus · Tijd door het jaar · 12e zondag · groen

Inleiding

Vandaag zullen wij in de tweede lezing van de heilige apostel Paulus horen: “Zo is dus wie in Christus is een nieuwe schepping: het oude is voorbij, het nieuwe is al gekomen.” De zondag, de dag van de Heer, is de dag van de nieuwe schepping. We worden dan uitgetild boven de oude schepping, de wereld met het werk, met zijn verplichtingen. Op zondag geven wij aandacht aan onze ziel, waarvoor Christus zijn Bloed heeft vergoten en daardoor, door die kostbare prijs, heeft onze ziel haar onvergelijkbare waarde ontvangen. Eén is gestorven voor allen.
In de stormen van het leven is God evenzeer aanwezig als aan het begin van de schepping, zoals vandaag in het Boek Job wordt verteld, toen “Hij de wateren paal en perk stelde, de poorten vergrendelde en tot de wateren zei: tot hier en niet verder, hier breken uw trotse golven.” Wij waren er toen niet bij, maar God is wel bij ons. Hij laat zijn schepping niet aan zichzelf over. De Zoon voelt Zich bij het bestuur van zijn Vader over de schepping zo door en door veilig, dat Hij rustig kan slapen in een vliegende storm die onder zijn leerlingen paniek veroorzaakt. “Meester, raakt het U niet dat wij vergaan?” Hij doet iets aan die storm. Dat is niet het eigenlijke, Hij doet iets aan ons hart. Daar brengt Hij de stilte van de gelovige overgave. Dat is het werk waarmee God op onvergelijkbare wijze doorgaat, steeds weer opnieuw; dat werk dat Hij begonnen is in ieder van ons bij het heilig Doopsel, toen Hij zijn Geest, zijn Geest van overgave aan de Vader in ons hart uitstortte. Dat is wat wij aan het begin van deze nieuwe scheppingsdag graag nog eens opnieuw tot leven willen wekken in ons eigen hart.

Homilie

“Meester, raakt het U niet dat wij vergaan?” Kan het U dan niet schelen dat wij dreigen te verdrinken? Er zit iets van een verwijt in. Dat ze zomaar worden overgeleverd aan de storm, aan het geweld. God doet niets, Hij kijkt werkeloos toe. Zoals ziet de wereld het. God heeft alles goed geschapen, overal de sporen van zijn aanwezigheid achtergelaten, zoals zo mooi beschreven staat in het Boek Job waaruit u de eerste lezing hoorde voorlezen: “… toen de zee haar poorten beukte, onstuimig los wilde breken uit de moederschoot; toen Ik haar paal en perk stelde, de poort vergrendelde en zei: tot hier en niet verder, hier breken uw trotse golven.”

Wij maken dat mee in het gewone leven, in de welvaart, in de gezondheid, en ook in de natuur beleven we dat, in het opgaan en het ondergaan van de zon, de zee met haar eb en vloed, de wisseling van de seizoenen, het klimaat, al die dingen waarom God geprezen wordt in de lofzang van Daniël: “Looft de Heer alle schepselen Gods, prijst en verheft Hem eeuwig” (Dan 3,82). Dan worden al die elementen genoemd waardoor wij omgeven worden: wateren boven de hemel, zon en maan, sterren, regen en dauw, vuur en hitte, koude en vorst, nevels en buien, noem maar op, alle schepselen, goed en kwaad. “En God zag dat het goed was, God zag dat het heel goed was” (Gn 1,10.31).

Maar dan moeten de mensen meemaken dat die goede schepping niet zo goed functioneert, niet zo goed geordend is. Dat de kosmos als het ware schijnt terug te keren naar de oorsprong van chaos, van duisternis en leegte, van vóór de schepping. Het lijkt wel alsof er binnen de schepping, die goed geschapen is, die chaos van vóór de schepping, terugkeert, haar macht herneemt. Stormvloeden breken los, vulkanen, cyclonen, zeebevingen, aardbevingen. En waar is God dan? Heeft Hij zijn handen van de schepping teruggetrokken? Zijn de boze machten Hem dan toch weer de baas? Of, als er in de goed geordende samenleving met haar regels, grenzen, structuren, wetten, constituties, grondwetten zich ineens een revolutie ontketent, een storm opsteekt in die maatschappelijke verhoudingen, een omwenteling die de sociale verhoudingen ondersteboven keert. De eer van de klasse wordt van haar voetstuk gestoten. Van de ene dag op de andere worden zij van heren tot slaven. Waar is God dan? Of, zoiets als wat wij in onze eigen kerkprovincie hebben meegemaakt, waar, zoals dat in de maatschappij gebeurde, in luttele jaren de christelijke waarden werden afgeschud, de christenen niet meer konden schuilen onder de paraplu van de staat en van de maatschappelijke instellingen, waar hun christelijke waarden waren gegarandeerd, waar ze niet langer de steun kregen van de publieke orde. Waar was God toen?

Stormen kunnen er ook optreden in je persoonlijke leven. Je had een goede verstandhouding met iemand en diegene scheen een onverbreekbaar deel uit te maken van je gewone leven, je kunt je leven gewoon niet denken zonder die persoon. Maar van de ene dag op de ander wordt hij ziek, verlaat hij je, of zoiets. Of je gezondheid begeeft het. Ook een soort storm. Wat je tot dan toe altijd gekund hebt, gaat ineens niet meer. Dan vragen we ons af: Hoe kan dat kwaad zo maar zijn gang gaan? Houdt daar nu ineens Gods voorzienige zorg op? Waarom zoveel slachtoffers van dat verderfelijke kwaad? Of waarom moet mij dat nu overkomen? Waarom doet Hij niets? Is Hij dan onverschillig? Draagt Hij dan geen zorg voor ons? Dat is eigenlijk wat die leerlingen daar op de boot Hem toeroepen: “Meester, raakt het U niet dat wij vergaan?” Is het U geen zorg? Hebt U dan geen gevoel voor ons, geen hart?

Waarom doet God ook nu niet wat Hij toen op het meer van Galilea gedaan heeft: de kwade machten een halt toeroepen: “Zwijg stil.” Waarom houdt Hij ons dit evangelie voor? Als we iets uit dit evangelie overhouden dan is het dit: Ja, dat was toen, maar nu niet meer. Is dat zo? Jezus kon rustig blijven slapen in het geweld van die storm, daar “aan het achtersteven op het kussen.” Wat Jezus toen kon, werd Hem door God geschonken. En dat is nu precies wat God steeds weer opnieuw doet. Hij neemt de storm niet weg, maar in de storm schept Hij in het menselijk hart een stormvrije zone, een stilte van overgave aan de wil van God. Dat is een gebeuren dat zich weliswaar aan onze waarneming onttrekt, soms zelfs aan onze persoonlijke waarneming, maar wat elke keer weer opnieuw gebeurt. God heeft zijn werkterrein verruild zou je kunnen zeggen, van de natuur, van de samenleving, naar het hart van de enkeling. Hij grijpt niet in in de schepping, maar in het hart van de mensen. Daar begint Hij, wat Paulus noemt, “een nieuwe schepping.” Dat kan op alle mogelijke manieren, in alle mogelijke situaties gebeuren. Dat ingrijpen vindt steeds weer opnieuw plaats in mensen die zich gelovig openstellen voor Gods werken, voor zijn macht, voor zijn zorg.

Gaat u maar na. U leest de psalmen, u zingt de psalmen, en het zal misschien niet dikwijls zijn, maar elke psalm is eigenlijk een weergave van een moment dat de storm opgestoken is geweest en tot bedaren gebracht. In sommige psalmen kunt u zelfs het moment zien waar de omslag plaatsvindt. Zoals hier in het evangelie gebeurde op het meer van Galilea, Jezus stak geen hand uit, maar riep: “Zwijg stil.” … “En het werd volmaakt stil.” Je ziet in zo’n psalm die stilte van buitenaf of van heel diep in de opeenvolging van de verzen binnentreden, als een weergave van het geheim dat zich in het hart van de psalmist heeft afgespeeld. Dat komt zo dikwijls voor. En dat is niet alleen maar verleden tijd. Iedere dag kunt u zelf een psalm schrijven waarin dat ook in u gebeurt. God blijft doende, tenminste, als u gelooft. Als u op een gelovige manier omgaat met de werkelijkheden van uw leven, van ons samenleven, in het groot en in het klein, dan zult u keer op keer Gods ingrijpen meemaken. Dat is een werkelijkheid van het geloof!

In de consecratie zullen wij dat gebeuren in Jezus’ Hart ook meemaken. Ook bij Hem is de storm opgestoken in de Hof van Olijven. Maar daar is ook de stilte neergedaald in zijn Hart, toen er een engel kwam om Hem met Gods heilige Geest te sterken. Daardoor is er zo’n rust, zo’n overgave, zo’n stilte in zijn Ziel neergedaald. Toen de uitwendige storm van het lijden en van de vernederingen, van de kleineringen van de kruisdood over Hem heen zijn gekomen, waren daar alleen maar sporen van eindeloos, majesteitelijk geduld. Dat kunnen we nu nog zien op zijn heilig Aanschijn op de lijkwade van Turijn. Dat is aan Hem gebeurd, en nu gaat het erom, dat wij ons in het eucharistische gebeuren laten mee opnemen, zodat de stormpjes van ons leven in diezelfde omvorming worden opgenomen die aan Hem zijn gedaan en die steeds weer opnieuw aan Hem worden gedaan.

Zoeken in Preken Online