Christen in weer en wind. Standhouden in de storm. Het evangelie van het bedaren van de storm (Mc. 4,35-41) komt na lezingen die gaan over God als Schepper (Job.38,8-11) en als Heer van de nieuwe schepping (2 Kor. 5,17). Ze sterken ons vertrouwen in de Verrezen Heer, die er altijd is.
Hevige stormen
Het is stilletjes waar het zelden of nooit waait. De nacht van de overvaart stormde het geweldig. Het was de eerste storm van een ganse reeks. Wie zich waagt aan het avontuur van het geloof, heeft er herhaaldelijk mee te maken.
Het meer van Galilea ligt onder de zeespiegel en is omringd door gebergte. Het kan er hevig stormen ten gevolge van oplopende luchtdrukverschillen. Dat ondervonden ooit twee Leuvense exegeten. Ze dachten toen zelfs dat hun laatste uur geslagen was en namen van elkaar de biecht af om daarna - eenmaal de storm geluwd - te zeggen dat ze een beetje overdreven hadden.
Stormen gaan voorbij. Winden gaan liggen. Maar ondertussen wankelt heel wat. Stormen veroorzaken paniek en richten zware vernieling en verwoesting aan. De zeebeving Tsunami, de orkaan Katrin, de aardbeving in Nepal zijn enkele van de grote natuurrampen met onnoemlijk veel schade. We kunnen verklaren hoe stormen opdagen en verlopen, maar we hebben geen antwoord op de vraag naar het waarom van zoveel leed.
Het is hoogst onwaarschijnlijk dat iemand slaapt bij hevige storm. Tenzij hij en zij die ver af zijn of zich niet bekommeren - tenzij te laat - over de te nemen maatregelen. Onderzoekscommissies wijzen op tekortkomingen in de hulpverlening bij deze rampen. Solidariteit mildert het leed.
Etsi Deus
Hoe staan wij als gelovige tegenover zulke rampen? Wellicht zoeken we vanuit het geloof geen antwoord meer. Het leven is immers zo gecompartimenteerd dat het geloof een klein vakje is naast andere. “Religie heeft in de vorige eeuw opgehouden het ganse leven te bestrijken. Vanuit zijn wezen moet geloof alle elementen van het leven omvatten, zo het wil stand houden. Geloof kan geen klein stukje van of naast het leven zijn. Is religie ja of neen belangrijk voor de mens? Is geloof een kracht die alle aspecten van het leven raakt? Als het niet alles is, dan is het niets” (Seeking Christian Interiority: An Interview with Louis Dupré, Tertio 315).
In het spoor van de Verlichting hebben we God uit de wereld verdreven. Wij hebben geen behoefte aan die hypothese om de dingen te verklaren (Laplace). Wij laten de wereld draaien alsof God niet bestaat, “etsi Deus non daretur.” Maar wij kunnen ook anders door te leven en te handelen, alsof God er bij is, “etsi Deus daretur.”
Jezus kan dan vermoeid zijn van de lange tocht (Joh. 4) of slapen tijdens de storm (Mc. 4). Zijn Vader slaapt niet en werkt altijd! (Joh. 5, 17). “De echte atheïst is niet hij die beweert dat God niet bestaat. De echte atheïst is hij die zegt dat God bestaat, maar dat hij niets kan, dat hij niets doet, dat hij altijd slaapt” (D. Morel, bijbelagenda 24.06.06). De apostelen hebben in de catastrofe ervaren dat God er is en dat Hij hen niet in de steek laat.
Etsi Deus daretur, wij zijn op Bijbelse grondslag. God is allereerst de God van het verbond. Hij blijft trouw doorheen alle omstandigheden, zelfs als wij ons van Hem afwenden. Paulus heeft veel miserie geleden, ondermeer storm en schipbreuk (2 Kor 11, 25). Maar hij is overtuigd dat niets ons kan scheiden van de liefde van God (Rom. 8, 15).
De God van Israël wil duidelijk met de wereld te maken hebben. De God van het verbond manifesteert zich tegelijkertijd als de God, die het al heeft geschapen. De bijbel bevat heerlijke bladzijden over de grootsheid van de schepping, zelfs met stormen en orkanen. Niet alles is vreedzaam in de schepping. Ze kan ruw zijn en ze verkeert blijvend in onrust. De schepping kreunt en lijdt barensweeën (Rom. 8, 22). De mens vermeerdert haar weeën, wanneer hij onverantwoordelijk met de aarde omgaat. Door de ecologie te versmaden, schaadt hij de tuin van God en vervuilt hij de zeeën.
Groei
Bij onrust en catastrofen rijzen onvermijdelijk vragen. Waarom lijdt een andere mens en blijf ik gespaard? Het zit diep in de mens dat hij bij onmacht en overmacht kreten slaakt. Zulk bidden is roepen en klagen, zelfs aanklagen en beschuldigen: “Meester, raakt het u niet dat wij vergaan?” Wij mogen met al onze vragen voor God verschijnen. Wij mogen uitrazen om zo wellicht tot stilte en inzicht te komen.
“Het smeekgebed staat in het hart van de mens geschreven. Om een dubbele reden: omdat we maar schepselen zijn en dus geheel hulpbehoevend, maar nog meer omdat we zondaars zijn en ons van Hem hebben afgekeerd” (G. Danneels, Waak en bid, Pasen 2005).
« Bij hoofdpijn neem je best de Torah ter hand; Celui qui a mal à la tête, qu’il étudie la Torah ». Elie Wiesel verklaart dit gezegde uit de Talmud. “Het betekent dat iemand die lijdt, die iets niet verstaat, die beproefd is, dat hij moet studeren! In de studie vindt hij niet alleen het antwoord op de vragen die hij stelt, maar hij zal andere vragen ontdekken. Hij zal inzien dat zoveel kleine dingen die zijn leven petieterig maakten niet meetellen en dat achter alles, iets anders schuilt.”(Josy Eisenberg-Elie Wiesel*, Job ou Dieu dans la tempête*).
Bij storm geraken we heel veel kwijt en groeien nieuwe kansen. De apostelen hebben in ieder geval tijdens de overvaart hun geloof versterkt in de Verrezen Christus.
De verhalen over de natuurwonderen zijn belangrijke verhalen. “Ze verkondigen wat de verrezen Heer vandaag voor ieder van ons betekent. Zij doen dat in sterk symbolische beelden, meestal ontleend aan het Oude Testament. Eigenschappen die daar aan God werden toegeschreven, worden na de verrijzenis ook toegepast op Jezus, die ten volle wordt erkend als de Zoon van God. Dat Gods heerlijkheid voorbijtrekt (Ex 33,22), dat Hij over de golven wandelt (Ps 77,20), dat Hij macht heeft over wind en zee en dat Hij de storm tot zwijgen brengt (Ps 107,28-30), wordt terecht van de verrezen Heer gezegd. Als verrezen Heer blijft Jezus zijn kerk tegemoetkomen en stilt hij de stormen die haar teisteren” (S. Lamberigts, Tertio, 302).
Elke overgang houdt risico’s zoals bij ontwikkelingsfasen en bij maatschappelijke en culturele veranderingen. “Richt je bij de overvaart naar de sterren, en niet naar de lichten van het eerste voorbijvarend schip” (G. Bradley). Richt je op Jezus. Hij is de beste hechting voor onze vaart.
Hechting is de emotionele band tussen twee individuen, gebaseerd op de verwachting dat een van beide zorg en bescherming zal bieden in tijden van nood. Goede zorgverlening heeft oog voor hechting. Zo iemand neemt het gevoel van onveiligheid weg. Jezus is onze hechtingsfiguur.
Hij laat ons niet alleen
De kerk is vaak vergeleken met het dobberend schip op de golven. Haar vaart doorheen de tijd gaat door weer en wind. De evangelist Marcus brengt zijn lezers bij dat Jezus tijdens de overtocht en in de storm hen niet verlaat. Dit vergeten, dat noemt hij ongeloof.
De Nederlandse karmeliet Titus Brandsma (1881-1942) stierf in het concentratiekamp van Dachau. Hij was journalist, professor, verzetsstrijder. Op 12 januari 1942 werd hij gearresteerd en in de gevangenis van Scheveningen opgesloten in cel 577. Tijdens dit zware lijden schrijft hij daar in de nacht van 12 op 13 februari 1942 een kinderlijk, eenvoudig gedichtje, dat getuigt van zijn groot vertrouwen.
O, Jezus, als ik U aanschouw,
dan leeft weer, dat ik van U houd
en dat ook uw Hart mij bemint,
nog wel als uw bijzondere vriend,Al vraagt dat mij meer lijdensmoed,
och, alle lijden is mij goed,
omdat ik daardoor U gelijk
en dit de weg is naar uw Rijk.Ik ben gelukkig in mijn leed,
omdat ik het geen leed meer weet,
maar ‘t alleruitverkorenst lot,
dat mij vermeent met U, o God.O, laat mij hier maar stil alleen,
het kil en koud zijn om me heen,
en laat geen mensen bij mij toe:
‘t alleen zijn wordt ik hier niet moe.Want Gij, o Jezus, zijt bij mij,
ik was U nimmer zo nabij.
Blijf bij mij, bij mij, Jezus zoet,
uw bijzijn maakt mij alles goed
Titus Brandsma werd op 3 november 1985 door paus Johannes Paulus II zalig verklaard. Zijn feestdag in Nederland is op 26 juli.