Als je een of andere vedette op het televisiescherm ziet, merk je of het er hem of haar om te doen is de eigen persoon in het licht te plaatsen ofwel de zaak die hij of zij vertegenwoordigt: de sport, de politiek, de kunst. Bij mij komt het altijd sympathiek over als ze zichzelf helemaal kunnen wegcijferen - en dat gebeurt vooral bij jongeren - om enkel en alleen de zaak te dienen.
Johannes de Doper zou 2000 jaar geleden gemakkelijk kapitaal hebben kunnen slaan uit zijn positie. In zijn tijd was hij een ‘ster’: hij kon de mensen, de massa, begeesteren; iedereen dweepte met hem; de machtigen die vanuit Jeruzalem in groten getale naar hem toekwamen, wilden hem de verhevenste titels toekennen zoals ‘profeet’, ‘messias’. Hij had heel gemakkelijk een grote persoonlijke machtspositie kunnen opbouwen.
Maar juist dat deed Johannes niet. Hij speelde hun geen grote ‘personality show’ voor. Bij de interviews was hij uitzonderlijk zwijgzaam en kortaf. Op de vraag naar zijn persoon: ‘Wie ben je?’ zei hij alleen wat hij allemaal niet was: ‘Ik ben niet de profeet, ik ben niet de messias'.
Hij kwam alleen om te getuigen… niet hij was het licht, hij kwam alleen om te getuigen van het licht, het ware licht dat iedere mens verlicht. Aan dat getuigenis is hij trouw gebleven tot aan zijn dood als martelaar. Martelaar betekent toch juist getuige zijn.
Matthias Grunewald heeft op zijn beroemd altaarretabel in een museum in Colmar Johannes de Doper afgebeeld met een opvallend lange wijsvinger. De schilder wilde daarmee duidelijk maken dat Johannes in zijn leven enkel verwijzing is geweest naar Hem die komen zal.
Wij zijn zo gewend aan wegwijzers, dat wij niet meer beseffen hoe belangrijk ze zijn. Maar je moet maar eens ergens naartoe rijden waar je nog nooit geweest bent, bij voorbeeld naar Parijs. Als je dan achter het stuur van je wagen in den vreemde bent, is alleen een wegwijzer een teken van hoop. Alleen een wegwijzer kan je dan de weg naar je doel wijzen. Een wegwijzer staat nooit midden op de weg, hij staat naast de weg, onopvallend. Een wegwijzer wijst ook nooit naar zichzelf, hij wijst altijd van zich weg.
Ten slotte is een wegwijzer pas echt wegwijzer als de richting er duidelijk op af te lezen staat.
Zo een wegwijzer was Johannes de Doper. Zijn enige opgave was: plaats te maken voor Jezus. Hij stond Jezus nooit in de weg: ‘Ik moet kleiner worden’, zei hij, ‘opdat Hij groter kan worden’. Hij wilde zelf niet veel plaats innemen, hij wilde dat het Godsrijk zich kon vestigen.
Johannes heeft nooit naar zichzelf gewezen, hij wees zijn leerlingen op Jezus: ‘Zie het Lam Gods’. Hij wilde alleen getuige zijn van Christus en zijn Rijk.
Maar dan mogen wij Christus ook nooit in de weg staan. Is dat niet dikwijls de zieke plek van onze pastoraal? Wij willen graag voorop staan, wij kunnen zo moeilijk onze eigen persoon wegcijferen voor de komst van Gods Rijk. Wij staan dikwijls Jezus in de weg en zo kunnen wij geen wegwijzer zijn.
Ook mogen wij nooit op onszelf wijzen, wij moeten een stille stem willen zijn achter de coulissen, als Hij maar groter wordt. Een christen die in alles zijn eigen persoon blijft zoeken, kan de andere mensen de weg naar God niet wijzen. Dan heeft hij eigenlijk niets meer te zeggen.
Ten slotte moeten ook wij duidelijk zeggen waar wij heen willen. Wij mogen geen dubbelzinnige boodschap verkondigen, wij moeten alleen getuigen van het Licht; er mag geen duisternis zijn in ons leven; wij moeten trouw blijven staan op de plaats die God ons heeft toebedacht.
Johannes kwam om te getuigen. Deze houding zou ons ook goed passen: een wegwijzer zijn naar Christus voor heel veel andere mensen.