2e zondag van de advent (2005)

B-cyclus · Advent · 2e zondag van de Advent · paars

In blijde verwachting, dat hangt nog steeds op de muur. Het klinkt heel hoopvol. En zo beginnen ook de lezingen van vandaag: de eerste lezing van Jesaja begint met: “God zegt: ga mijn volk troosten, ga het troosten. Spreek Jeruzalem moed in, roep het toe: je straftijd is voorbij, je bent genoeg gestraft.”

Ook Marcus begint heel positief: “begin van de blijde boodschap van Jezus Christus, de zoon van God.”

Maar die blijde boodschap komt niet uit de lucht vallen; die blijde boodschap staat in een traditie, een traditie van God die al eeuwenlang met zijn volk onderweg is, van Abraham tot Mozes die het volk uit Egypte heeft geleid, tot de profeten die telkens Gods woorden van troost en aansporing aan de mensen verkondigden. Zo ook de profeet Jesaja, die het eind van de Babylonische ballingschap aankondigt.

Troost, Blijde boodschap, in blijde verwachting…. We willen het graag geloven, we willen er graag aan werken; brengen we daarom eerst het licht van de tweede adventskaars naar binnen.

Het licht is binnen. Symbool van onze blijde verwachting.

Maar die blijde boodschap, die troost voor het volk komt er niet vanzelf.

God zegt tegen de profeet wel het volk te troosten, maar volk moet ook wat doen! God heeft het volk vergeven, maar de mensen moeten wel nog de weg bereiden. Jesaja zegt: Hoor! Iemand roept: baan een weg voor de Heer, een weg in de woestijn, een recht pad door de steppe. Hoog de dalen op, graaf bergen en heuvels af, trek bochten recht en maak vlak wat oneffen is. En Marcus schrijft over Johannes de Doper en zegt: bereid de weg van de Heer, maak zijn paden recht.

Dat is het beeld dat zich bij mij het meest opdringt: graaf bergen en heuvels af, vul dalen op.

Het is een beeld dat ik, als ik op de fiets zit, helemaal kan invoelen. Ik heb een gruwelijke hekel aan bergop fietsen, en in onze omgeving ontkom je daar nu eenmaal niet aan. En al fietsend denk ik dan wel eens: waarom kan dit niet gewoon vlak zijn. Maar als je dan boven op zo’n berg staat en de prachtige vergezichten ziet, is het toch ook weer fantastisch, geniet ik toch ook weer volop. En ik zou ons Limburgse heuvelland toch niet willen inruilen voor de vlakte van de polder. Ondanks alles.

Het is ook geen willekeurig beeld; in vroegere tijden was het vaak letterlijk zo dat als een heel belangrijk persoon kwam, dat dan de bevolking echt de weg voor hem klaar maakte, dat men echt voor hem een weg baande: stenen wegruimde, kuilen uit de weg haalde, soms de weg letterlijk plaveide met bladeren. En dat was hard werken, met blote handen.

Dat beeld heb ik ook voor ogen als ik denk aan mensen die het zwaar hebben in hun leven. Mensen kunnen het leven ervaren als een berg, waar ze niet tegenop kunnen, of als een dal waaruit ze niet meer kunnen klimmen. Er zijn ook mensen die bijv. als een berg opzien tegen het feit dat onze samenleving multicultureel wordt…, die in een diep dal zijn geraakt van ziekte of armoede…., die als een berg opzien tegen hun werk of juist tegen het wegvallen van hun werk…, die in het dal zitten van nergens ‘thuis’ mogen zijn of die in hun huis geen ‘thuis’ meer ervaren omdat ze een dierbare verloren hebben door dood of echtscheiding.

In al deze situaties zien we mensen vechten, soms met de moed der wanhoop, om uit het dal te komen of om weer boven op die berg te komen.

Maar we doen het elkaar ook wel aan. Ik zie het om mij heen, kort bij en verder weg, dat mensen elkaar soms weinig ruimte gunnen, dat mensen zich onrechtvaardig behandeld voelen, terecht of onterecht; ik zie het in gezinnen en in verenigingen, ja zelfs in onze parochie zijn we niet altijd zo verdraagzaam en tolerant als we zouden willen….

Het is, denk ik, ook een taak van de gemeenschap om samen ‘bergen te slechten’ of ‘dalen te vullen’; ook als gemeenschap kun je anderen de hand reiken om te troosten in wat hun overkomen is, om goed te maken wat wij elkaar hebben aangedaan en om te zien waar iemand verloren loopt. Want zo ka God komen, sterker nog: zo is God er al. Als we op die weg gaan, dan is God bij ons, kunnen we Gods aanwezigheid ervaren.

Verwachting vraagt om aandacht,
aandacht om te zien en te horen, om gezien en gehoord te worden,
aandacht om op weg te gaan, om je pad te volgen
en zo hobbels en valkuilen te trotseren.

Zou dat misschien de bedoeling zijn van Jesaja, als hij zegt: baan een weg voor de Heer in de woestijn, een pad door de steppe’: dat wij voor elkaar de weg banen, de kolen uit het vuur halen desnoods, om de ander te helpen de berg op, het dal uit. Dan is de Heer bij ons…

Zou dat misschien de bedoeling zijn van de evangelist Marcus, als hij zegt: hoor! Iemand roept in de woestijn: bereid de weg van de Heer, maak zijn paden recht. Bij Marcus is dit Johannes, die in de woestijn doopte en de mensen opriep tot bekering, opriep om hun leven te verbeteren. Maar daarmee is de kous voor ons niet af, denk ik. Daarmee zijn wij niet gevrijwaard van actie. Ook wij mogen in de voetstappen van Johannes ‘de weg bereiden’, zodat ook in onze tijd mensen iets van ‘die troost’ of die ‘blijde boodschap van God’ aan den lijve mogen ervaren.

Zoeken in Preken Online